Passend onderwijs voor hoogbegaafden

Ik begin graag aan de basis en dat is de definitie van van Dale over leren.

1le·ren (werkwoord; leerde, heeft geleerd)

1 onderwijs geven; onderwijzen

2 vaardigheid in iets (laten) krijgen: al doende leert men

3 in het geheugen opnemen: een les leren

4 zich kennis of vaardigheid proberen eigen te maken; studeren: leren voor onderwijzer

Leren is dus, én onderwijzen én het zich eigen maken. Daar is duidelijk de interactie in te zien die kenmerkend is voor het leerproces. De leerkracht moet willen en kunnen onderwijzen en de leerling moet het zich eigen willen en kunnen maken. Of dit nu lesstof is of een vaardigheid, dat maakt niet uit.
In het reguliere onderwijs is bij deze interactie altijd de leerkracht degene die het initiatief heeft. De leerkracht bepaalt wat wanneer en hoe de lesstof of vaardigheid wordt onderwezen en de leerling volgt dat leerproces welke ook in tijd is vastgelegd.

Deze manier van leren werkt goed voor veel leerlingen. Tussen de 60 % en 80 % slaagt er redelijk tot optimaal in om lesstof zich eigen te maken en vaardigheden te ontwikkelen. Hierbij ligt het zwaartepunt van de interactie nog steeds bij de leerkracht maar er is een zekere terugkoppeling van de leerlingen.

Kijken we naar het speciaal onderwijs dan is het initiatief van het onderwijs sterk in handen van de leerkracht. Deze bepaalt in grote mate wat er gebeurt en wat er geleerd wordt. Hierbij is aan te halen de fout uit het verleden dat de leerkracht(=het onderwijs) de vraag beantwoordde wat zulke kinderen moesten leren en weten, terwijl nu veel meer naar de leerlingen wordt gekeken wat en hoe ze kunnen en willen leren. Een voorbeeld is het gebruik van de keuken. Vroeger werd erover gepraat, nu staat er een echte keuken in de klas en wordt alles voorgedaan en door de leerling gereproduceerd op hun snelheid en niveau. En dat werkt natuurlijk beter omdat de interactie dat leren heet, is hersteld.

Voor hoogbegaafde leerlingen is de interactie ook verstoord. Waarom is niet zozeer de vraag want de grote uitval onder deze groep maakt ons duidelijk dat de interactie, om tot leren te komen, nauwelijks bestaat. Ook in de speciale afdelingen voor deze leerlingen is de leerkracht nog steeds de eigenaar van het onderwijs en moet de leerling dat gekozen pad volgen. De problematiek vermindert natuurlijk door de aanwezigheid van peers en de extra zaken maar het feitelijke leren, voor een diploma, is nog steeds een initiatief van de leerkracht (lees onderwijs).

Gelet op de kenmerkenlijstjes die overal te vinden zijn en die te koppelen aan de organisatie van die interactie, leerkracht – leerling, kun je makkelijk afleiden dat die interactie op een veel betere manier vorm gegeven kan worden. Deze leerlingen zijn zelfstandig, leren makkelijk, hebben een goed geheugen, etc en hebben dus alles in huis om uitstekende leerlingen te worden. Het probleem is dat die interactievorm die kenmerken, niet honoreert. De normale interactievorm is dat van een volgzame leerling en een initiërende leerkracht.

Om die interactie optimaal te krijgen is het nodig dat de leerling het initiatief krijgt van diens onderwijs. Dan is de interactie, het leerproces te omschrijven als dat van een zelfstandige leerling en een volgzame leerkracht. En gelet op de kenmerkenlijstjes is zulk een benadering van de leerling passend voor hoogbegaafde leerlingen.

In de praktijk betekent dit nogal wat en daarvoor is toestemming nodig van het onderwijsveld en het ministerie. Het betekent onder anderen dat de leerling bepaalt welke lesstof of vaardigheid aan bod is. De leerling bepaalt ook de snelheid en de leerling laat zien wat hij weet en kan, en gaat van daaruit op eigen tempo verder. Dit in tegenstelling tot het onderwijsmotto, alleen wat ik de leerling heb vertelt of voorgedaan weet de leerling ook. Dit is overigens in extreme vorm het initiatief leggen bij de leerkracht en niets bij de leerling.

Een schoolomgeving kan er dan als volgt uitzien. De leerling heeft kennis van het leerproces, de einddoelen en heeft het initiatief over diens onderwijs ofwel vrijwel alles wat eerst bij de leerkracht lag, ligt nu bij de leerling. De rollen zijn feitelijk omgedraaid.

Nu is de buitenstaander niet zo geïnteresseerd in wat er nu in de klas gebeurt dus daar kan al veel gestalte krijgen. Maar het belangrijkste, wanneer is een leerling klaar met een school, moet ook bepaalt worden door de leerling en niet door de leerkracht. En nu protesteert de buitenstaander want een kind van 10 kan toch niet klaar zijn met de basisschool? Komt dat wel goed, soc. emotioneel, ed..

Ja, dat komt helemaal goed als die leerling naar eenzelfde volgend interactieproces kan en mag als op de basisschool. Dus zal het veelvuldig voorkomen dat een 12-jarige klaar is met het voortgezet onderwijs. En dus moet er ook een universitaire opleiding zijn met een soortgelijke interactiemodel.

Dit is allemaal makkelijk te realiseren als de initiatiefnemer van dit soort onderwijs maar toestemming heeft om dit zo te organiseren. Dan gaat het niet over geld, het zal goedkoper zijn dan nu en goedkoper dan regulier onderwijs, het zal goed zijn voor de leerlingen maar of de maatschappij het aankan is nu de vraag. En die kunnen we warm maken met zaken die zij als positief ervaren. Niet jaloers maken maar onderstrepen dan dit soort leerlingen goed kunnen meehelpen ons landje er weer bovenop, of zoiets.. En natuurlijk wijzen op het feit dat dit past bij dit soort kinderen en zij willen toch ook dat het onderwijs goed is voor hun kinderen?

De vergelijking met het zwakbegaafdenonderwijs is te maken zoals ook een vertegenwoordiger van Leonardo in Groningen tegen me zei. Hij was jaren in dat onderwijsgebied actief geweest en het leek hem ook interessant om die switch te maken bij hoogbegaafden. De wethouder aldaar in hetzelfde gesprek, PvdA, keek mij met afschuw aan toen ik dit allemaal vertelde in andere woorden.

Een ander voorbeeld is het dovenonderwijs. Jarenlang moesten ze leren liplezen en spreken en absoluut geen gebarentaal spreken. Zelf niet onderling of thuis. Dit leidde tot ongelukkige leerlingen die erg argwanend werden tov alles. Hun communicatievaardigheid was erg laag daardoor geworden. Toen dat veranderde werden het zelfverzekerde mensen die toevallig doof waren. En er kwam gebarentaal in dialect! Zo konden ze opeens wel goed communiceren.

Dit verschil zal ook te zien zijn bij hoogbegaafde leerlingen. Ze zullen echt anders worden, sociaal vaardig, goed kunnen leren en ook minder bijwerkingen hebben als HSP, autisme, gedragsproblemen ed.. Want in het nieuwe interactiemodel passen ze als een vis in het water.

Een boel geschreven en ik hoop duidelijk genoeg voor jou. Ik kan qua uitwerking nog veel meer zeggen. Nodig me uit, zou ik zeggen.

Ik zie ook de reacties graag tegemoet op deze website.

Willem Wind.

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.