Slim zijn is leuk, mits je slim doet! -doorkijk-

Wilma van Galen
Ergens midden in een reportage waarin een reporter ging onderzoeken of hij zijn I.Q. op kon krikken, kwam ‘de slimste’ man van Amerika ook heel even in beeld. ‘Hoogbegaafdheid heeft voor mij met hogere taal en metafysica te maken’. Iets in mij veerde op en van alle gesproken woorden bleef het nagalmen. Niet veel later veerde ik tijdens een ontmoeting met een aantal hoogbegaafden wederom op toen iemand zei ‘we hebben andere taal, schone taal’ nodig. Weer iemand anders kwam aan met de term ‘tussentaal’. Een zoeker pur sang die graag buiten de bekende manier van denken zijn antwoorden zoekt en zich de blaren schrijft, maakte de 3-eenheid in mijn hoofd compleet door uit te spreken dat hij nog naar woorden zoekt.

Ondanks ik graag schrijf ben ik niet van de woorden zolang er geen woorden lijken te zijn die hoe ik in de wereld sta kunnen omvatten. Of beter gezegd; ze zijn er wel maar ze worden nog wel eens gebruikt op een dusdanige holle manier dat ik afhaak. Gelukkig steeds minder vaak een steek in mijn hart veroorzakend. Ik heb veel liever iemand die eerlijk tot op zijn eigen bot is dan iemand die om zijn waarheid heen draait en vanuit allerlei beschermingsmechaniekjes handelt. Los daarvan hou ik niet van woorden omdat er vaak veel woorden nodig zijn om iets uit te leggen terwijl een beeld meer zegt. Het gevoel van ‘het gaat maar door en door en door’ terwijl alles al gezegd, zucht.

Hoewel ik mij al een tijd met hoogbegaafdheid bezig hou, werd mij recent weer op een andere manier duidelijk hoe het denken werkt van hoogbegaafden en waarom de roep om andere taal niet alleen een roep van mij is. En hoe de belevingswereld in elkaar steekt van veel hoogbegaafden.

Er waren drie beelden voor nodig om de woorden waaraan weer heel veel andere woorden kleefden en die als een orkaan in mijn hoofd draaiden tot stilstand te brengen. Opeens stond ik stil in het middelpunt.
Daar waar het stil is en waarin we ten alle tijden staan maar waar we nog wel eens uitgeschoten lijken te raken met alle mogelijke ellende van dien. Je handen uitstrekken om de wereld te verkennen en de ander te ontmoeten is leven maar zodra je je centrum verlaat wordt je meegezogen en je leven, overleven.

Stef Bos – Lied van Job – Nulpunt

Drie beelden: een bak met pistachenoten, behangboeken met bijpassend doorzichtige gordijnstof en een man die vertelde over dat hij tijdens een moment van instorten huilend op de grond zakte en, voordat hij weer omhoog kwam, zijn verdriet verwerkt had en wist hoe hij verder moest.

Ieder mens staat in zijn eigen middelpunt, zijn kern die in feite leeg is. Onze kern, onze bewustzijn heeft geen vorm en kan je niet aanraken. Veel mensen menen dat we niet verder gaan dan ons lichaam; alsof we een pistachenootje zijn waarvan de schil ons lichaam is en het nootje zelf alles is wat we denken en voelen. Ik denk dat we iets meer zijn; dat de ruimte om ons lichaam heen onderdeel van onze kern uitmaakt. Om elk nootje heen is ruimte. Een gedachte die wel aansluit bij de kwantumfysica (hoe zien pistachenootjes eruit) en de metafysica (wat kunnen we met pistachenootjes). Boeddhisten beseften allang dat vorm leegte is en leegte vorm. En christenen beseffen het ook; in het Bijbelboek Prediker staat: ‘lucht en leegte, alles is leegte’.

Stef Bos – “Alles is lucht” – Lied van Prediker

Ondanks dit gedachtegoed rent de mens als het ware al duizenden jaren achter deze materie aan. Veel mensen denken niet zoals de kwantumfysica opgebouwd is. Veel mensen denken lineair en zien niet allerlei verbanden. Een hoogbegaafd mens daarentegen wel. De associatieve manier van het denken en het leggen van verbindingen sluit veel meer aan bij de leer van de kwantummetafysica. Het is net alsof een hoogbegaafde met een bepaald uitgangspunt, diverse gedachtes en gevoelens onder de loep kan nemen. Veelal op een abstracte manier. Dit veroorzaakt een gapend gat met veel mensen die concreet denken, weinig associatief zijn en weinig verbindingen leggen. Om dan terug te komen op mijn doorzichtig gordijnstofje……. Een hoogbegaafde kan dat lapje op een onwillekeurig iets houden en daar zijn conclusies uit trekken. De oorzaak dat ze nog wel eens iets vatten zonder zich ooit erin verdiept te hebben. En waardoor er meer inzicht is in de aard der dingen.

Het is een andere manier van mens zijn. Helaas worden ze nog wel eens gezien als dwarsliggers; iets dat klopt voor de massa die in de regel het spoor volgt waarop ze lopen. Zelfs in onze huidige tijd waarin veel gebeurt en er oplossingen dienen te komen voor allerlei ontwikkelingen zijn dwarsliggers weinig welkom. Iets wat bij de dwarsligger kan zorgen voor een existentiële depressie. Het zijn van een hoogbegaafde of beter gesteld, hoogbewust mens komt in het gedrang wanneer hij afgewezen wordt om wie hij wezenlijk is en vervormt wanneer hij zich tracht te conformeren.

Wakker in een vreemde wereld -De Dijk-

De mens is in ontwikkeling en we leven nu nog in de derde dimensie; een lineair vervormde wereld vol van regeltjes en gezag maar die is behoorlijk aan het afbrokkelen. Een heftige tijd omdat al onze schijnbare zekerheden aan het instorten zijn. Hoogbewuste mensen zijn zich hier al veel langer bewust van. Voor (hoog) intelligente mensen kan het kwartje in de loop van het leven vallen dat de wereld die we voorgeschoteld krijgen niet klopt. Hoog bewuste baby’s komen daarentegen met hun 4d bewustzijn in een 3d wereld terecht.

Hoogbewust zijn is wezenlijk anders dan (hoog) intelligent zijn. Er is een sterke verbinding tussen denken, voelen en het lichaam. Het bewustzijn reikt verder uit. Ik meen dat ze hierdoor nog wel eens sneller door een emotioneel, psychisch en geestelijk proces kan gaan. Mits ze niet vast zitten in een vorm van existentiële depressie.

De Poolse psychiater Kazimierz Dabrowski zijn persoonlijkheidstheorie draait om hoogbewust worden. Via een proces van desintegratie kan je op het niveau komen waarin je weer volledig mens bent en de ander even volledig kan laten zijn. De van origine 4d baby die afgedwaald is, terug naar zijn basis.
Maar ook de grondlegger van het enneagram, George Ivanovitsj Gurdjieff (filosoof, mysticus, schrijver, componist en choreograaf) had mijn inziens al het één en ander in de gaten. Zo te lezen was de man ook hoogbewust. Zijn werk zat ook vol met neologismen; nieuwe woorden!

Onder het begrip bewustzijn verstond Gurdjieff iets dat veel meer omvat dan de gebruikelijke mentale gewaarwording. Volgens hem vereist werkelijk bewustzijn een integratie in het moment van het denken, het voelen en het lichaam. Alleen dan kan een hogere energie ons bereiken en actief in ons worden. Lichaamsoefening, dans, speciale muziek en allerlei creatieve bezigheden zouden kunnen leiden tot integratie.
Dabrowski stelt dus dat je via een proces van uiteen vallen (lijden) en heling je als mens ontwikkeld. Gurdjieff plant je op de dansvloer en zet je aan creatief / ambachtelijk werk. ‘Het hoogste wat een mens kan bereiken is het vermogen te doen’ stelt Gurdjieef.

Turning -muziek die de ziel in beweging kan brengen-

En ik? Ik denk dat uiteenvallen noodzakelijk is wanneer je als hoogbewust mens vast bent gelopen in de 3d wereld en zowel creatieve bezigheden als lichaamsgerichte activiteiten je helingsproces kunnen versnellen waardoor je weer bij je eigen pure bewustzijn, je basis uit komt.
Slim zijn is leuk, mits je slim doet!

Wilma van Galen

Grenzeloos denken

‘Wat betekent hoogbegaafdheid nou eigenlijk voor mij?’, is een vraag die veel slimmeriken zich stellen. De rijtjes met kenmerken en/of de uitslag van een IQ test zijn interessant maar hoe vertaal je het naar je zelf? Naar je gevoelsleven, je gedachten, je gedrag, je leven?

Na het schrijven van de stukken waarin de parabel van de olifant en de zes blinde mannen een rol speelt, zie ik opeens voor me dat hoogbegaafden nog wel eens op de olifant willen klimmen. ‘Normaal begaafden’ houden zich vast aan de flanken van de olifant; grijpen een oor of pakken de staart. Een hoogbegaafde klimt echter (mits hij niet in onderpresteren en aanpassen is blijven steken) op de rug van de olifant. Mensen die volgens de definitie normaal zijn blijven oogcontact houden met de huid van de olifant. Ook al kijken ze naar links, rechts of naar boven; het grijs blijft in hun blikveld. Slimmeriken daarentegen kunnen zowel huid als lucht zien en dat is een wezenlijk verschil.

‘Normaal begaafden’ denken in de regel concreet en slimmeriken hebben een sterke neiging tot abstract denken. Concreet denken heeft te maken met nadenken over onderwerpen die het heden betreffen en/of zichtbaar zijn. In de eerste levensjaren denken we allemaal concreet en afhankelijk van leeftijd, slimheid en ontwikkeling gaan we op een zeker moment in meer of mindere mate, ook abstraheren.

Bij het abstract denken gaat het meer om voorstellingen die men van bepaalde zaken kan maken die men niet in de realiteit kan zien, voelen of met andere zintuigen waar kan nemen. Abstractie komt van het Latijnse woord abstraheren wat ‘weglaten’ betekent. Abstractie is het weglaten van alle niet essentiële informatie of kanten om meer fundamentele structuren zichtbaar te maken. Iets dat je in staat stelt om te conceptualiseren (de samenhang & overeenkomst tussen verschillende zaken zien) of te generaliseren (in staat zijn om ideeën, mentale constructies en regels op verschillende zaken toe te passen). Door abstraheren kan je boven de materie gaan staan en voorbij de lijntjes kijken.
Het vermogen om op een ‘hoog niveau’ abstract te kunnen denken heeft invloed op je manier van leren. Onderwijs en informatieoverdracht vinden in de regel plaats via de bottum-up methode (van concreet naar abstract; van delen naar geheel) terwijl een slimmerik veel meer heeft aan ‘top-down’. En het heeft invloed op hoe mensen je zien en op je manier van communicatie. Wanneer je alleen of voornamelijk op een abstracte manier communiceert, zal je regelmatig niet begrepen worden. Men snapt bijvoorbeeld werkelijk niet wat je bedoelt, zien het belang van iets niet in of je wordt pakweg neergezet als een rationeel mens terwijl onder het abstracte denken, net zo goed een mens zit mét gevoel.

Om in de metafoor van de olifant te blijven. Op de rug van een olifant is minder plek dan bij zijn voorkant, achterkant en zijdes. Er zijn veel meer mensen die concreet denken en soms iets abstract maken dan mensen die juist die tegenovergestelde neiging hebben. Niet fijn. Eenzaamheid ligt op de loer als je niemand hebt met wie je op jouw niveau kunt communiceren. Tevens kan het nog wel eens een demotiverend effect hebben op leer- en werkprestaties. Je zuigt iets uit je duim op een abstract niveau en men vindt je visie fantastisch. Of je ziet bijvoorbeeld wat er binnen een systeem hapert en wat de oplossing zou kunnen zijn maar wanneer je dat naar voren brengt wordt je niet begrepen of men neemt afstand omdat men zich bedreigt voelt.

Maar er is hoop………… ‘Slim zijn is leuk mits je slim doet’ is niet voor niets mijn slogan. Als slimmerik kan je je slimheid ook bijvoorbeeld inzetten om af te dalen. De meeste mensen kunnen niet omhoog; jij kunt wel omlaag. Het is niet de bedoeling om opeens een concreet denkend mens te worden maar je kunt wel je manier van communiceren veranderen zodat je in ieder geval verbinding kunt maken met een ander. Al blijft het van groot belang dat je ook mensen in je omgeving hebt en voer tot je neemt die past bij het ‘boven op de olifant zitten’. Naar beneden glijden en niet meer naar boven kunnen terwijl daar wel je thuis is, is niet fijn.

Wilma van Galen

Misdiagnose van hoogbegaafden

Auteur: James Webb
ISBN: 9023250338
Via een collega kreeg ik dit boek te leen en heb het echt verslonden. De vertaling is niet geweldig en de stukken over persoonlijkheidsstoornissen kloppen niet helemaal, maar voor de rest is het een heel nuttig boek!
Als Kinder- & Jeugdpsycholoog kom ik regelmatig de labels ODD, ADHD, autisme en depressie tegen bij kinderen. Nu specialiseer ik mij in hoogbegaafdheid en heb daardoor een andere doelgroep dan de meeste Kinder- & Jeugdpsychologen. Ook merk ik dat ik een andere benadering op de kinderen heb dan reguliere instellingen. Ik kijk als het ware met een HB-bril naar het kind, waardoor ik zeker niet altijd op dezelfde conclusies kom als andere psychologen.
Ook ben ik geen GZ-psycholoog. Dit wil zeggen dat ik een bepaalde tweejarige opleiding na mijn master Kinder- & Jeugdpsychologie niet heb gedaan. Hierdoor word ik niet vergoed door zorgverzekeraars en mag ik geen diagnoses stellen. Ik mag wel onderzoek doen en daar conclusies uit trekken over de ernst en verklaringen voor problematiek, maar de labels mag ik niet plakken. Stiekem ben ik daar heel erg blij mee, omdat ik me niet bezig hoef te houden met het zoeken naar kenmerken van stoornissen. Wanneer een kind heel goed binnen een plaatje van een stoornis past en ik het idee heb dat een label wel kan helpen voor extra hulp, zal ik zeker doorverwijzen. Maar het zal nooit gebeuren dat de termen autisme, ADHD of ODD in mijn verslagen staan. Ik heb wel ervaring met de manier waarop mensen aan de haal gaan met die termen, zeker in het onderwijs, waardoor ik het heel bewust niet doe.
Toen ik dit boek las werd mij nogmaals duidelijk hoe nuttig het kan zijn om met zo’n HB-bril naar kinderen te kijken. Het verklaart veel problemen die gedragsmatig misschien op een stoornis zouden lijken, maar een hele andere oorzaak hebben dan wanneer het echt om een stoornis gaat. Hierdoor is de oplossing voor de problematiek ook anders. Mijn hoop is dat zoveel mogelijk professionals in de GGZ dit boek gaan lezen, zodat misdiagnoses minder vaak voorkomen. Zo kan de boodschap ‘er is iets mis met jou, jij moet je aanpassen omdat je een stoornis hebt’ aan kinderen minder snel worden gegeven.
Hoogbegaafde mensen zijn juist enorm sociaal vaardig, gedreven, gemotiveerd, leergierig en geconcentreerd wanneer ze in de juiste omgeving zitten. Tip aan iedereen die iets met psychologen wilt en (een vermoeden van) hoogbegaafdheid in het spel is: zoek iemand die ook met een HB-bril ernaar kijkt. En misschien ook: lees het boek.

Bio drs. Lisanne van Nijnatten:
Lisanne is Kinder- & Jeugdpsycholoog die zich in haar bedrijf Edu & ik (edu-en-ik.nl) richt op onderwijsadvisering, projectontwikkeling, diagnostiek en begeleiding. Haar expertise ligt voornamelijk in hoogbegaafdheid, leren leren en autisme. Hiernaast is zij docent aan de Universiteit Utrecht op het gebied van diagnostiek en testtheorie.

Nieuwe IQ test: RAKIT-2

drs. Lisanne van Nijnatten:

Sinds het najaar van 2012 is er in Nederland een nieuwe IQ test op de markt, de Revisie Amsterdamse Kinder Intelligentie Test tweede editie (RAKIT-2). In juli 2013 heeft deze test een positieve beoordeling gekregen van de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN). Hiermee hebben we een goede nieuwe aanwinst op het gebied van intelligentie onderzoek.

De RAKIT-2
De RAKIT-2 is een IQ test voor kinderen op de basisschool van 4 tot en met 12 jaar. Voor kinderen in deze leeftijd op het voortgezet onderwijs zijn geen betrouwbare normen. De RAKIT-2 kan IQ scores tussen 40 en 145 meten. Naast een totaal IQ score, levert de RAKIT-2 afname ook vier factorscores op. De vier factoren zijn als volgt: Verbale vlotheid, verbaal leren, ruimtelijk inzicht en oriëntatie en perceptueel redeneren. Hierbij maakt de RAKIT-2 een duidelijk onderscheid tussen verbaal en niet-verbaal, maar ook tussen het verwerken en het handelen met informatie. Zo ontstaat er een genuanceerd beeld van een intelligentieprofiel.
RAKIT-2 ten opzichte van de WISC-III
Nu er een nieuwe test op de markt is, kan dit een aardige concurrent worden voor de meest gangbare intelligentie test binnen deze leeftijd, de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC-III). Het materiaal van de WISC-III stamt inmiddels al uit 1991 en is op sommige fronten verouderd. Daarin heeft de RAKIT-2 wel een klein voordeel. De factorstructuur van de WISC-III verschilt ook van de RAKIT-2. Belangrijk hierbij is wel te melden dat de voorspellende waarde van de IQ scores van de WISC-III over onder andere schoolprestaties gering is. Deze voorspellende waarde is dan ook onvoldoende beoordeeld door de COTAN. De voorspellende waarde van de RAKIT-2 is wel goed beoordeeld. Of de WISC-III hierdoor minder vaak door professionals gebruikt zal worden is nog de vraag. De RAKIT-2 kan ook gebruikt worden voor een second opinion op een onbetrouwbare WISC-III afname.

RAKIT-2 en hoogbegaafdheid
Ik werk zelf specifiek met hoogbegaafde kinderen gebruik de RAKIT-2 dus regelmatig voor bepaling van IQ scores voor een kind met een vermoeden van hoogbegaafdheid. De RAKIT-2 meet IQ scores tot en met 145. Jammer dat er nog steeds geen IQ test in Nederland beschikbaar is die IQ scores boven 145 meet. Toch prefereer ik de RAKIT-2 boven de WISC-III.
Een aantal problemen bij hoogbegaafde kinderen kan optreden tijdens een afname van testen, wat ook een IQ score kan beïnvloeden. Kinderen kunnen door perfectionisme of faalangst blokkeren, waardoor ze onvolledige antwoorden geven of weigeren antwoord te geven. Ook kan het kind verveeld raken, waardoor het opgeeft voordat een valide score is behaald. Ik heb zelf gemerkt dat de kans dat deze problemen zich voordoen kleiner is bij de RAKIT-2 dan bij de WISC-III. De RAKIT-2 vraagt minder uitgebreide antwoorden, waardoor ook bij een simpel antwoord volledige score kan worden behaald. Een plaatje aanwijzen is meetal al genoeg. Ook kan de testafname gestaakt worden wanneer een kind compleet blokkeert, waarna binnen een week de afname nog betrouwbaar afgemaakt kan worden. Natuurlijk hangt de kans op problemen ook af van de deskundigheid van de onderzoeker op het gebied van hoogbegaafdheid.
Op het gebied van creatief denken, waar binnen het klassieke triadische model van Renzulli ook een criterium voor hoogbegaafdheid ligt, heeft de RAKIT-2 een streepje voor op andere intelligentietests. De verbale vlotheid factor omvat ook een vermogen tot snel en creatief denken. Hoewel dit een klein onderdeel van de test is, geeft dit wel een mogelijkheid weer om creatief te denken en dit in concreet handelen om te zetten. Een factor die in andere intelligentietests niet voorkomt.

Naar mijn ervaring en beoordeling als professional is de RAKIT-2 dus een zeer geschikte intelligentietest voor kinderen waar hoogbegaafdheid wordt vermoed. Ik ben erg benieuwd of deze test gangbaar gaat worden onder psychologen, of dat de meesten toch graag vasthouden aan de oude vertrouwde WISC-III.

Bio drs. Lisanne van Nijnatten:

Lisanne is Kinder- & Jeugdpsycholoog die zich in haar bedrijf Edu & ik (edu-en-ik.nl) richt op onderwijsadvisering, projectontwikkeling, diagnostiek en begeleiding. Haar expertise ligt voornamelijk in hoogbegaafdheid, leren leren en autisme. Hiernaast is zij docent aan de Universiteit Utrecht op het gebied van diagnostiek en testtheorie.

‘Ik ben niet labiel, maar flexibel’

Wilma van Galen
Deze uitspraak van Theo Maassen zou eigenlijk op je lippen moeten branden wanneer je één van die (hoog)begaafden bent die op allerlei gebeurtenissen op een intense manier reageert. Als je echt blij bent dan lijkt je hart uit je borstkas te komen zetten en als je verdriet hebt, dan lopen de tranen spontaan over je wangen heen. Het ‘Jantje lacht, Jantje huilt-effect’. Mits je natuurlijk niet zo’n muur om je heen hebt gezet dat weinig je nog kan raken.
Volgens de Poolse psychiater Dabrowski is die intensiteit één van de overexcitablities die ervoor zorgt dat je als hoogbegaafde groeit. Dabrowski onderscheidt overprikkelbaarheid van de verbeeldingskracht en
psychomotorische, zintuigelijke, intellectuele en emotionele overprikkelbaarheid.

In mijn blog over overexcitabilities staat bij emotionele overprikkelbaarheid: ‘
Uitingsvorm> Complexe gevoelens en emoties, een sterk en verfijnd gevoelsbewustzijn, verlegenheid. Sterk vermogen tot empathie, mededogen, verbinding ervaren. Een sterke gehechtheid aan personen, dieren of plaatsen en een emotionele intensiteit en sensitiviteit voor bijzondere kenmerken in een situatie, die niet iedereen opvallen.
Extreme reacties (enthousiast, extatisch, euforisch, trots, schuldig, angstig) en moeite hebben met het onderscheid maken tussen gevoelens van jezelf en de ander. ‘

Hoe kan deze voor veel slimmeriken; normale overprikkelbaarheid; die intensiteit van emoties en gevoelens én de extreme reacties leiden tot groei?

Doordat je meer waarneemt ‘in de wereld’ en je dieper geraakt wordt dan bij de meeste mensen het geval is wordt je meer en vaker geconfronteerd met alles wat er in je leeft.
De wereld fungeert als spiegel. Weliswaar is die regelmatig beslagen doordat je als slimmerik wezenlijk anders bent maar toch worden stukken van jezelf gespiegeld door allerlei gebeurtenissen en mensen. Los van ‘te veel aan prikkels binnen krijgen’ waardoor je overprikkeld raakt, kan je als ‘veel waarnemende slimmerik’ nog wel eens conflicten ervaren tussen je emoties & gevoelens die dat waarnemen met zich meebrengt en je gedachten.

Zolang er positieve ervaringen zijn zal de les niet geleerd worden maar zodra dat niet meer het geval is en er een conflict ontstaat, moet je wel ‘in jezelf duiken’ om te zien waar je staat. Negatieve ervaringen die pijn, teleurstelling, verdriet en boosheid te weeg brengen kunnen dienen als mest voor je groei. ‘Negatieve’ emoties & gevoelens en de intensiteit waarmee je kunt reageren, kunnen gekanaliseerd worden door te gaan kijken naar de oorzaak van de heftigheid waarmee je reageert. –en wat heftig is, bepaalt een ieder lekker voor zichzelf; alleen met een intrinsiek verlangen tot groei, ontstaat groei-

Dit kijken kan leiden naar een stuk zelfinzicht dat maakt dat je anders gaat waarnemen, voelen, interpreteren en reageren. Wanneer je diep in jezelf duikt kan je je kracht, kwaliteiten en liefde aanschouwen maar evengoed die donkere kant waar van alles huist waar je eigenlijk liever niet naar kijkt.
Door je eigen pijn en vreugde tot in den diepste te doorleven, er naar te kijken en te accepteren leer je jezelf kennen, kan je liefde en mededogen voor jezelf ontwikkelen. Iets waardoor je uiteindelijk beter voor jezelf leert zorgen om uiteindelijk zo met je overexcitabilities om te gaan dat je de vruchten plukt van je gevoeligheid en in veel mindere mate conflicten ervaart en extreem overprikkeld raakt. Een proces dat doorgaat totdat denken en voelen met elkaar versmolten zijn. Een proces dat ervoor zorgt dat je uiteindelijk ook met meer mededogen en empathie de wereld zult betreden.

Miscommunicatie

Het nadeel (en soms voordeel) van dusdanig intens reageren is dat mensen nog wel eens betekenis aan je gedrag koppelen die niet klopt met hoe jij in zijn totaliteit iets ervaart en wat je gedachten erover zijn.
Heftige reacties kunnen een aardige bron zijn van miscommunicatie. Hoe je reageert, is vaak maar een deel van wat je voelt en denkt. Leve de meerlagigheid van slimmeriken!
Je eerste primaire reactie op iets vervelends kan heftig zijn en dat kan doordat er iets in je brult om aandacht maar het kan evengoed met de intensiteit van de prikkel te maken hebben. Alsof je even in contact komt met ijskoud water en opveert. Iets waar veel normaal begaafden minder last (en lust) van lijken te hebben. Iemand moet je wel erg goed kennen om je werkelijke gevoel aan te voelen en te plaatsen.

Verzuipen of zwemmen

Om jezelf staande te houden is het van essentieel belang om te gaan kijken naar je reacties en wat er onder ligt. Niet alleen vanwege het contact met jezelf en je algehele welbevinden maar ook vanwege de interactie met de buitenwereld. Er zijn maar weinig mensen die zo ver zijn dat ze zinnig kunnen reageren op intense reacties, er geen oordeel van koppelen, hun grenzen goed kunnen aangeven en het niet op zichzelf betrekken.
De meeste mensen zullen eerder de benen nemen omdat ze niet weten hoe te reageren.
En met degene die niet zo snel zich omdraaien omdat ze even intens zijn kan er een proces ontstaan van aantrekken en afstoten. Natuurlijk kan je een ander verwijten dat door haar/zijn toedoen je zo emotioneel reageert en/of een helpende hand eisen maar wat je dan in feite doet is om een reddingsboei vragen om zodoende te voorkomen dat je niet bij je eigen diepte aankomt. Al kan een aai over je bol, een schouder om bij uit je huilen en een luisterend oor wonderen doen in het gehele proces.

Zwemmen

Ervaar en voel maar leer wel te zwemmen in dat bad van emoties en gevoel. Voorkom dat je verzuipt.

Wilma van Galen

VERVELING, STRESS, KICK! – de kunst van het uitstellen –

Wilma van Galen

Faalangst, perfectionisme, gebrek aan motivatie, slecht kunnen focussen, moeite met het stellen van prioriteiten, een aversie voor ‘moeten’ en juist goed kunnen functioneren onder tijdsdruk.
Er zijn meer dan genoeg redenen te bedenken om de badkamer niet schoon te maken en om alleen maar de haren uit het putje te vissen; je administratie onder de bank te schuiven en de rekeningen in de regel te betalen nà de derde aanmaning, dat ene stuk niet te schrijven terwijl de deadline steeds naderbij komt en om je biebboeken niet weg te brengen terwijl je bijna dagelijks zo ongeveer langs de bieb komt.

Uitstellen! Met een mooi woord ‘procrastineren’.
Je surft nog wat op het internet en zapt nog wat heen en weer terwijl je verveeld op de bank hangt. Pakt de badkamer aan terwijl je hoognodig je administratie moet doen. Midden in de nacht schrijf je met rode konen dàt stuk, levert het net op tijd en met een voldaan gevoel in en vergeet gemakshalve de weken van ‘dwaal, verveling en ergernis’. De afwas is net weg als de deurbel gaat maar wanneer je het zweet van je voorhoofd heb geveegd, blijkt het niet je vriendin te zijn maar een deurwaarder.

Natuurlijk moet je wel eens wat uitstellen. Omdat iets anders even net belangrijker is of omdat je zo’n persoon bent die eerst moet broeden op een tekst.< br/> Maar in veel gevallen zijn het andere oorzaken waarom je iets uitstelt.

Stress, ergernis, irritatie en schuldgevoelens kunnen het effect zijn van uitstellen. Je zelfbeeld zal er niet door groeien; ook niet wanneer je telkens weer ‘net op tijd bent’ want de periode daarvoor is vaak niet prettig. Het kan ervoor zorgen dat je kansen mist binnen je privé-leven en op je werk. En het kan een negatief effect hebben op je relaties en op je portemonnee.

ZEVEN TIPS OM IN BEWEGING TE KOMEN

  1. Onderzoek wat je waarden en doelen zijn. Wat wil je nu echt? Schrap activiteiten die niet bijdragen aan jouw waarden en doelen.
  2. Bekijk eens (wanneer je toch wat aan het surfen bent) het ‘Eisenhowerschema’. Houdt eens een week bij of je niet constant bezig bent met brandjes blussen in plaats van je focus te leggen op hetgeen ‘niet dringend doch wel belangrijk is’.
  3. Sta stil bij welk effect het heeft om je leven te leiden als een brandweerman m/v en hoe het zou kunnen zijn wanneer je de neiging om uit te stellen, uitgebannen hebt. Visualiseer een leven waarin je niet meer uitstelt.
  4. Blijf aardig voor jezelf wanneer je e i n d e l i j k aan de slag gaat met uitstelgedrag en je gaat toch weer een paar dagen zappend & surfend door het leven. Leren gaat met vallen en opstaan; sta weer op.
  5. Wees je er bewust van dat een ander soms kan denken & uitspreken dat je iets aan het uitstellen bent terwijl je simpelweg ergens op aan het broeden bent. Hanteer je eigen meetlat! 
  6. Als je last hebt van faalangst, perfectionisme en/of onderpresteren; ga ermee aan de slag. 
  7. Besef goed dat je niets moet. Je mag kiezen. Zolang het putje niet verstopt zit dan kan je douchen, toch?

Wilma van Galen

BONTJAS, DRUMBAND EN YOGHURT MET STUKJES – oftewel SENSORISCHE INFORMATIEVERWERKING –

Wilma van Galen

Als kind heb ik wild om mij heen geslagen én getrapt toen mijn grootouders mij zo nodig een bontjas wilde aantrekken. Ik was noch lang niet op de leeftijd om enige kritische noot over het dragen van bont te kunnen laten horen maar zo’n harig ding aan mijn lijf: ‘no way’. Ruim 40 jaar later zal ik niet meer fysiek en verbaal van mij af trappen maar er zijn nog steeds stoffen die het effect kunnen hebben dat ik letterlijk naar achteren deins.

Mijn vel reageert zeer selectief. Van vingertoppen die mijn huid beroeren ga ik niet ‘knorren van genoegen’ maar veel eerder ‘fiks aan mijn vel krabben’. En als kleuter wentelde ik mij maar al te graag in de modder terwijl die bontjas voor complete paniek heeft gezorgd.
Met voedsel; in het bijzonder ‘de structuur van voedsel’ heb ik dan weer geen moeite.
Al heb ik daarbij de mazzel dat ik uit de tijd stam dat er in yoghurt – in de regel- geen stukjes zaten. Geen vreemde substanties op jonge leeftijd in mijn mond! Op geluiden reageer ik dan wel weer heftig. Het is niet zo erg dat ik ziek van herrie wordt maar mijn handen plant ik, wanneer de plaatselijke drumband langs mijn huis paradeert echt wel tegen mijn oren aan. En elk kefje van de honden van mijn buren voel ik in mijn lijf weerkaatsen.
Mijn lijf is nog steeds bijzonder soepel maar aangezien ik geen stuur lijk te hebben was gymnastiek één grote ramp. En ik dans graag maar van het idee om voorgeprogrammeerde danspassen uit te moeten voeren blokkeer ik volledig.

SENSORISCHE PRIKKELS

Ik (en met mij nog wat familieleden) reageer iets anders op ‘sensorische prikkels’. Bloemencorso kijken is niet alleen maar leuk; het brengt ook de spanning met zich mee dat je weet dat die vreselijke drumband op een zeker moment vlak voor je voeten (én oren) langs komt denderen. Een aversie voor zand zie ik bij twee generaties terug komen.
Gras heeft ervoor gezorgd dat één kind al op zeer jonge leeftijd met buikspieroefeningen is begonnen omdat haar blote beentjes niet met die stinkende groene substantie in contact wilde komen. Koppeltje duikelen; ik ben niet de enige die er weinig van bakt.
En ach, terwijl mijn jongste op circus met trapeze begon was ze nog niet in staat om normaal te huppelen. Een bal vangen; ik duik weg en ook daarin ben ik niet de enige. Tijdens een familiediner moet er rekening gehouden worden dat er de nodige mensen zijn die maar van 4, 5 soorten voedingsmiddelen houden. Mijn vader liep en mijn jongste dochter loopt nog met blote armen terwijl de rest van de wereld al toe is aan een winterjas. Persoonlijk zie en maak ik er geen probleem van. Sommige dingen moet je ‘gewoon’ accepteren, bepaalde dingen vragen om ‘enige aanpassing’ en aan zaken die je werkelijk hinderen, moet je ‘gewoon’ werken.

SENSORISCHE GEVOELIGHEID

Die overgevoeligheid (en soms ‘ondergevoeligheid’) voor prikkels kom je tegen bij mensen met ADHD, mensen met een stoornis binnen het autistisch spectrum maar evengoed bij beelddenkers, Hsp’ers en mensen die hoogbegaafd zijn. En bij mensen met dyspraxie (DCD), dyslexie, dyscalculie, dysfasie en NLD. Ook mensen die de diagnose ‘selectief mutisme’ hebben, mensen met een beneden gemiddeld IQ en personen met allerlei syndromen waaronder het syndroom van Gilles de la Tourette (GTS) en bijvoorbeeld het Triple-x-syndroom zijn in de regel gevoeliger voor allerlei prikkels.
Tevens verloopt de sensorische informatieverwerking bij personen die hersenletsel hebben opgelopen, mensen met allergieën en voedselovergevoeligheid, jongeren in de puberteit en mensen die bijvoorbeeld een whiplash hebben opgelopen nog wel eens op een andere manier. Kortom; er zijn aardig wat mensen bij wie de sensorische informatieverwerking anders verloopt.

SENSORISCHE INFORMATIEVERWERKING

Kort uitgelegd: ‘sensorische informatieverwerking is het vermogen om zintuiglijke informatie op te nemen, te verwerken en de verschillende stukjes informatie aan elkaar te verbinden zodat we er adequaat op kunnen reageren. Vanuit de zintuigen wordt informatie naar verschillende delen van het zenuwstelsel gestuurd. Daar vindt ordening, selectie en samenkoppeling plaats. De zintuigen maken een eigen groei-ontwikkeling door maar werken niet afzonderlijk. Ze beïnvloeden elkaar en zullen uiteindelijk als een geheel moeten functioneren. Als de zintuigen goed met elkaar samenwerken en informatie goed wordt verwerkt in het zenuwstelsel stelt dat de mens in staat op een juiste manier te reageren op prikkels vanuit het eigen lichaam en de omgeving.
Op de website www.wateenverschil.info/ kan je nog veel meer lezen over het onderwerp en in dit artikel www.hiq.nl/service-verslez-211100.php wordt het één en ander uitgelegd over hoogbegaafdheid in relatie tot sensorische informatieverwerking.

MEETLAT EN MENGSELS

Wat een normale ontwikkeling is én wat normaal is wordt bepaald door wat men in deze tijd als normaal voor het gros van de mensheid beschouwd. Bovengenoemde groepen mensen ontwikkelen zich én zijn anders.
Aangezien er nogal wat overlap is tussen de verschillende manieren van ‘anders zijn’ en ieder mens uniek is ben ik van mening dat of je nu wel of geen diagnose / stempel hebt, je moet kijken naar het individu en de eventuele problematiek die ervaren wordt.
En volgens mij is het zinnig om aan dat ‘anders zijn’ geen woorden als ‘probleem’ en ‘problematiek’ te koppelen. Woordgebruik heeft invloed op je denken en ervaren. Het schiet niet op om weg te lopen van iets waar je echt tegen aan loopt maar iets als een probleem bekijken is een ander uiterste.
Het is opvallend dat ik tijdens mijn zoektocht naar informatie over sensorische informatieverwerking direct uitkwam bij ‘sensorische informatieverwerkingsproblematiek’. De toevoeging ‘problematiek’ vind je minder snel als je naar informatie zoekt over synesthesie, synthetiseren, beelddenken en top-down denken terwijl dat toch ook alles te maken heeft met een andere manier van informatie verwerken.
En je leest zelden iets over dat hoogbegaafden nog wel eens ‘weggezet’ worden als weinig gevoelig terwijl ze dat wel degelijk zijn maar een ander soort prikkel-verpakkingsmateriaal (de ratio) gebruiken om uiting te geven aan hun gevoelens. Iets waar vooral slimme vrouwen op afgerekend worden. Kortom; wie bepaald wanneer iets onder de noemer ‘probleem en problematiek’ valt? En wanneer is iets een probleem?

ZEVENS TIPS

Op bovengenoemde website en in ‘Zeven tips voor het omgaan met prikkels’ www.wilmavangalen.nl/html/blog_12.html staan een aantal tips die je kunt gebruiken in het omgaan met allerlei prikkels. Tips die ik er aan toe wil voegen:

  • Accepteer dat je anders reageert op allerlei soorten prikkels en dat je informatie anders verwerkt. Vaak zijn er naast ‘negatieve aspecten’ evenveel ‘positieve aspecten’.
  • Schop die meetlat opzij; kijk naar wat je werkelijk nodig hebt en zoek zo nodig naar oplossingen en alternatieven.
  • Laat je niet aanpraten dat je iets niet kan omdat je volgens de diagnose die je hebt gekregen iets niet kan. Je bent en blijft een uniek persoon!
  • Heftige reacties op bepaalde zintuigelijke prikkels kan je aanpakken door jezelf via een gewenningsproces steeds weer te confronteren met een bepaalde prikkel.
  • Accepteer dat wennen aan bepaalde prikkels en/of bepaalde dingen aanleren gepaard kunnen gaan met het ervaren van angst. Bouw langzaam op!
  • Stimuleer je lichaamsbesef. In ‘Zeven tips om fysiek scherp te blijven’ www.wilmavangalen.nl/html/blog_22.html staan wel wat tips om mee te starten.

Ga jongleren om de samenwerking tussen je hersenhelften te stimuleren. En/of start met bewegingsoefeningen die daarop gericht zijn en ervoor kunnen zorgen dat je (beter) leert te automatiseren. Iets dat je op eigen houtje kunt doen (voor hulpmiddelen en ideeën> www.braingym.nl/ ) maar je kan natuurlijk ook begeleiding zoeken. Zelf ben ik aan het jongleren geslagen en als ik toe ben aan de volgende horde dan vraag ik Gera de Leeuw om begeleiding. Angst voor beweging zit nog aardig in mijn lijf en om bepaalde zaken te leren heb ik iemand nodig die begrip heeft voor mijn angst, paniek en onhandigheid en mij af en toe een zetje geeft of ‘terug haalt’.

Ik schreef al in het begin dat je sommige dingen ‘gewoon’ moet accepteren; dat bepaalde dingen vragen om ‘enige aanpassing’ en dat je moet werken aan zaken.
Enigszins simplistisch uitgedrukt want het kost wel tijd, lef en doorzettingsvermogen. Ook na een week vliegen bij mij nog de twee ballen in het rond en het heeft mij wel een jaar gekost voordat ik quasi nonchalant zei: ‘doe mij maar drie jongleerballen’. En dansles? Later…………………

Wilma van Galen

De zin en de onzin van testen

Wilma van Galen

Onlangs verscheen er een stuk op Trouw.nl een artikel met de kop: ‘Vaak is het beter om een kind niet te testen op hoogbegaafdheid’.

Asha ten Broeke, de schrijfster van het artikel stelt dat een label invloed heeft op een mens en dat deze invloed niet positief hoeft te zijn.
‘Het schept (positieve en negatieve) verwachtingen’.
Ik ben het hier gedeeltelijk mee eens. Een test is een meetinstrument en er zijn nogal wat factoren die dit instrument waardeloos maken maar even goed van groot nut.
Ik werk met volwassenen maar de vraagtekens omtrent het nut van testen speelt evengoed op latere leeftijd.

ROME

Er zijn verschillende wegen die naar Rome kunnen leiden.
Rome is in dit geval: ‘een leven leiden waarin het individu zichzelf ontwikkeld, aansluiting vindt en zich content voelt met wie hij is’.
Soms pakken we meteen de juiste route maar we nemen even vaak gigantische omwegen.

OMWEGEN

Vraagtekens die niet worden beantwoord door een adequate reactie:
Je ervaart dat je anders bent maar je hebt er zogenaamd geen last van. Je haalt weinig voldoening uit je werk, echt wezenlijk contact met een ander mens heb je niet en eigenlijk ken je jezelf in emotioneel opzicht ook niet bijster goed. Er knaagt wel iets maar je laat het liggen.
Je laat je testen; uit de test blijkt dat je hoogbegaafd bent en je reageert niet adequaat:
Je legt de focus op je hoogbegaafdheid en gaat opeens van alles van jezelf verwachten. Alles waar je tegenaan loopt komt door je hoogbegaafdheid en je legt de lat waar je aan moet voldoen, hoog.
Je laat je testen; uit de test blijkt niet dat je hoogbegaafd bent en je laat het geheel los:
Hoewel je duidelijk in positief en negatief opzicht kenmerken vertoont, laat je het idee dat jij hoogbegaafd bent los en je leeft zoals je gewend was. Het knaagdier in je binnenste laat je lekker doorknagen.

JUISTE ROUTES

Je laat je testen; uit de test blijkt dat je hoogbegaafd bent en je reageert adequaat:
Je neemt jezelf inclusief je hoogbegaafdheid onder de loep en alleen waar je tegen aan loopt, pak je aan. Je geeft je hoogbegaafdheid geen grotere plek dan noodzakelijk is.
Je laat je testen; uit de test blijkt niet dat je hoogbegaafd ben maar je laat het niet los:
Hoewel het niet uit de test blijkt, herken je jezelf in het profiel van een hoogbegaafde en je blijft op jezelf anticiperen alsof je wel hoogbegaafd bent. Niet iedere hoogbegaafde komt tenslotte door de test.
Er zijn geen vraagtekens en je gaat met jezelf op een adequate wijze om:
Je luistert goed naar jezelf en naar je eigen behoeften en geeft daar invulling aan.

ZIN

Onze maatschappelijke zorg is nogal ingericht op etiketten.
Met het etiket hoogbegaafdheid heb je als scholier kans op net dat stukje extra onderwijs; als volwassene heb je daardoor toegang tot Mensa en je omgeving (al dan niet hoogbegaafd) wil je nog wel eens serieuzer nemen wanneer je kunt aantonen dat je hoogbegaafd bent.
Persoonlijk vind ik dat alles nogal onzinnig maar aangezien deze feiten er zijn is het in dit opzicht, slim om je (kind) te laten testen.
Mits je daarbij wel goed voor ogen houdt dat je (een kind) veel meer bent (is) dan hoogbegaafd. Er is geen hoogbegaafde hetzelfde.

ONZIN

Als we in een wereld zouden leven waarin individualiteit boven de meetlat wordt gesteld zou zoiets als testen de grootst mogelijke onzin zijn. Je accepteert jezelf en als je ergens in vastloopt zoek je naar manieren om weer los te komen.
Je wordt geaccepteerd zoals je bent en als je ergens in vastloopt krijg je hulp die aansluit bij je hulpvraag.

CONCLUSIE

Als je gewoon lekker draait is het irrelevant om te weten dat je hoogbegaafd bent. Loop je tegen zaken aan, dan is het wel handig om kennis te krijgen van hoogbegaafdheid. Maar testen heeft mijn inziens. meer te maken met de behoefte aan een stuk bevestiging en de eisen & reacties van de buitenwereld.
Of het derhalve beter of slechter is om je al dan niet te laten testen en of het hebben van een etiket positief of negatief uitwerkt is geheel afhankelijk van het individu en zijn omgeving.

Wilma van Galen

Zeven tips om met faalangst om te gaan, Wilma van Galen

Een opleiding niet gaan volgen omdat je als de dood bent dat je niet in staat bent om het niveau aan te kunnen, een gesprek niet aangaan omdat je bang bent dat je met een mond vol tanden komt te staan; niet solliciteren op die leuke baan omdat je weet dat je dan ook regelmatig voor een groep moet spreken, gigantisch balen als je een minuscuul foutje hebt gemaakt…… et cetera.

Angst is nuttig omdat het ons helpt om gevaarlijke situaties te herkennen en is cruciaal om te overleven.
Faalangst is daarentegen niet nuttig.
Het is de angst om te falen, te kort te schieten of om aan bepaalde verwachtingen van jezelf of anderen niet te kunnen voldoen.

Faalangst is onder te verdelen in cognitieve, sociale en motorische faalangst en het ontstaat door ‘faal-ervaringen’ uit het verleden, reacties op (goede en minder goede) prestaties in het verleden en door een gebrek aan zelfvertrouwen; een negatief zelfbeeld.

(Hoog)begaafden hebben nog wel eens last van cognitieve faalangst doordat ze in hun jeugd niet hebben leren omgaan met faalervaringen.
Daarnaast kan de andere manier van leren (top-down) en ‘andere struikelblokken’ (beelddenken, dyslexie, kloof tussen verbaal en performaal) ervoor zorgen dat je intelligentie niet boven water komt en je het gevoel krijgt, vaak te falen..
Sociale faalangst kan ontstaan door de ervaring van niet begrepen worden, er niet bijhoren.

Het kan zich uiten in: zweten, bevende handen en knieën, misselijkheid, snelle ademhaling, hartkloppingen, maag- en buikpijn, rode vlekken in het gezicht, regelmatig naar de wc moeten, slaapproblemen, hoge spierspanning, hoofdpijn; geagiteerdheid, tobben, ervaren van wanhoop, agressief worden of de clown spelen, concentratie problemen, geen zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld; uitstellen, onderpresteren, (bepaalde) mensen en activiteiten uit de weg gaan en perfectionisme.

ZEVEN TIPS OM MET FAALANGST OM TE GAAN

Onderzoek welke zaken je hebt laten liggen in je leven, vanwege je faalangst en wat je gewonnen zou kunnen hebben wanneer je je niet had laten afremmen door je angst..
Is je angst wel zo’n goede raadgever geweest? Hoe vaak ben je bang geweest voor iets en hoe vaak is je ook uitgekomen?

Onderzoek waar je precies bang voor bent en stel voor hoe fout iets wel niet kan gaan. Wanneer je het meest gevreesde beeld voor ogen hebt, kan je jezelf een aantal vragen stellen: heb je ooit met iets dergelijks te maken gehad en hoe is het toen afgelopen, hoe ziet je leven er volgende week/maand/jaar uit na een eventuele ramp, hoe gaan andere mensen met een dusdanig catastrofe om , zou je hulp kunnen vragen wanneer iets compleet fout loopt, wat zou je een ander in dezelfde situatie adviseren?

Onderzoek je angstige gedachten. Klopt het wat je denkt? Mag jij als mens fouten maken?
Is er ook een positief optimistisch alternatief te bedenken?.

Ga de confrontatie aan. Stop met weglopen / er om heen draaien / onderpresteren: word realistisch. Formuleer een doel en neem kleine stapjes. Gebruik voor iets, waarbij dat mogelijk is, een kookwekker en start met 25 minuten aan iets werken.

Beteugel je angstige gevoelens wanneer je vlak voor je iets gaat doen dat angst oproept: adem door je buik , zet je voeten op de grond of ga even op je handen zitten zodat je weer echt in je lijf komt te zitten; zoek sociale steun zodat je wat druk van de ketel afhaalt of ga iets fysieks doen zodat je de overtollige adrenaline af kan voeren. Sowieso, zorg goed voor je lijf.

Accepteer dat een beetje angst erbij hoort maar stop met het je laten weerhouden van hetgeen jij graag wilt doen. Maak je zoals dat ook bij ons mens zijn hoort, toch een fout of vergissing; spreek je uit.

Werk aan je zelfvertrouwen en je zelfbeeld; spreek jezelf op een positieve manier toe, affirmeer (inspiratie> http://affirmaties.webklik.nl/page/affirmaties) en hou een dagboek bij waarin je dagelijks minimaal één ‘succesmoment’ noteert.

Omdat faalangst vaak zo ingesleten is, kost het veel tijd en aandacht voordat het hanteerbaar wordt. Maar als je deze tips ter harte neemt, kan je vandaag al je eerste stap zetten. Krijg je al buikpijn, een gevoel van misselijkheid en zwetende oksels bij het idee? Of weet je niet waar te beginnen..
Bel eens voor een (intake) gesprek.

Wilma van Galen

Acrobatische sprongen in je hoofd!

Wilma van Galen.

Barsten, breken, dansen, dartelen, detoneren, exploderen, huppelen, joepen, kaatsen, klappen, kloven, knallen, knappen, losbarsten, ontploffen, openbarsten, opwellen, ploffen, rollebollen, rondfladderen, scheuren, spelen, splijten, trappelen, uit elkaar spatten, uit zijn vel springen, uitbarsten, uiteenbarsten, uiteenspringen en wippen, zijn woorden die een relatie hebben met het woord ‘springen’.

Springen is wat slimmeriken doen.

We barsten van energie en breken af op domheid. We dansen en huppelen van verwondering en dartelen door het gras omdat het zo lekker ruikt. Soms exploderen we; springen uit één, barsten uit elkaar van ergernis over alle traagheid en joepen en wippen met onze stoel van verveling. We spelen met ideeën die in ons opwellen en laten ze rondfladderen en rollebollen in ons brein. We trappelen van genoegen; knappen, splijten, ploffen, klappen bijna uiteen wanneer onze geest voedsel krijgt. We kloven aan ons gedachtengoed en blijven detoneren met dat van de meeste mensen. Soms dreigen we uit elkaar te spatten, uit ons vel te springen of barsten we werkelijk uiteen wanneer iemand weer de scheuren in ons zijn aanraakt. We kunnen verbaal knallen, een lullige opmerking terug kaatsen, ontploffen en losbarsten van woede en ons rugzak open laten barsten.

Volgens de van Dale betekent ‘springen’:

sprin·gen (werkwoord; sprong, heeft, is gesprongen) 1 zich losmaken van de grond door zich met de voeten af te zetten: staan te springen vol ongeduld klaarstaan voor iets; ergens om zitten te springen iets dringend nodig hebben 2 (van vloeistoffen) uit- of opgeworpen worden: tranen sprongen hem in de ogen 3 met een ruk uiteengedreven worden; barsten, breken: een mijn laten springen 4 failliet gaan: de bank laten springen.

DENKSPRONGEN

De manier van springen waar ik het over wil heb lijkt zowel niet in de lijst met synoniemen voor te komen als bij de betekenis van het woord ‘springen’. Weinig vreemd aangezien ik het over denksprongen wil hebben; over iets omvatten waar een ander veel eerder stapsgewijs doorheen moet. Al heeft het wel enige correlatie met ‘ongeduld’ aangezien je regelmatig moet wachten totdat de ander aangekomen is waar jij met een enkele sprong al bent. –als de ander überhaupt aankomt-

GEESTELIJKE ACROBATIEK

Je kunt het ook ‘geestelijke acrobatiek’ noemen. De ene mens is wat houterig en verplaatst zich in de regel via zijn voeten. Een volgende lukt het nog wel om de voeten van de vloer te krijgen voor een koprol of kan een sierlijk vogelnestje maken. Een derde doet nog iets meer maar er zijn ook mensen die dusdanig lening en behendig zijn dat ze de meest vreemde capriolen op de mat en in de lucht uit kunnen voeren.

Wellicht is die term ‘geestelijke acrobatiek’ nog wel treffender dan springen want bij een sprong, spring je nog steeds van a naar b (je kunt onmogelijk tegelijkertijd twee kanten opspringen) en bij acrobatiek kunnen de vier ledematen toch echt allemaal een verschillende kant opgaan. Die aanleg in lenigheid & coördinatie heb je of heb je niet en kan je wel of niet uitbouwen.

Een acrobatische geest gaat even goed verschillende kanten op. Het denkproces van een slimmerik gaat vaak sneller en door de hoeveelheid aan kennis die ontstaan is door de oeverloze nieuwsgierigheid in combinatie met een goed geheugen heeft hij meer vaatjes om uit te tappen en zaken te combineren. En een hoogbegaafde ordent zijn kennis anders en past het op een andere manier toe. Iets waarmee ik weer iets uit kom op ‘slim zijn is leuk, mits je slim doet!’

Wat heb je aan slim zijn tenslotte als je er niets mee doet? Het negeert, je aanpast, gaat onderpresteren totdat je een verbleekte versie van jezelf bent? Alsof je nog geen eens in staat bent om een koprol te maken terwijl je het talent heb om aan één hand aan de trapeze te hangen; met je ene been in je nek en je andere been horizontaal.

Mooi bedacht (deels zelf en ondersteund vanuit de literatuur over hoogbegaafdheid) maar bovenstaande geeft mij nog steeds geen bevredigend antwoord op wat ‘hoogbegaafd denken’ is. Abstract denken, top-down denken, associatief denken en beelddenken zijn treffende termen maar het blijven abstracte termen.

INTUÏTIEF DENKEN

Persoonlijk denk ik dat hoogbegaafdheid denken in essentie te maken heeft met wat we noemen ‘beelddenken’. Een slecht gekozen woord omdat het een concreet begrip lijkt terwijl het een abstract is. Beelden gaan veel te snel om gezien te worden. Is het slim om iets wat je niet kunt aanschouwen, beeld-denken te noemen? Beelddenken is intuïtief denken waarbij kennis razendsnel door je brein gaat en verwerkt wordt. Je kunt wel beelden zien maar dat is weer een tragere vorm; een eerste aanzet tot echt intuïtief denken. Intuïtief als zijnde, niet echt bewust.

ONDERSTEBOVEN, BINNENSTEBUITEN, ACHTERSTEVOREN

Ook mooi bedacht maar ook bovenstaande is nou niet bepaald concreet te noemen. Ik kan het niet pakken, aanraken of opeten. Hoogbegaafd denken is niet concreet te beschrijven zonder 101 voorbeelden. De uitingsvorm kunnen we -voor zover ons oog reikt!- zien. Of je acrobatische geest in staat is om op eigen unieke wijze aan een stokje op kop in de lucht te hangen en je na een aanloop kan nemen voor een handstand die overgaat in een koprol en eindigt in een spagaat.

Wilma van Galen.

Man, Vrouw, hoogbegaafd..

Androgynie, Wilma van Galen.

Androgynie, een samenvoeging van de Griekse woorden ‘andros’ (man) en ‘gynaika’ (vrouw), staat voor het voorkomen van zowel mannelijke en vrouwelijke kenmerken bij één enkele persoon.
Om androgynie te begrijpen, is het belangrijk om de verschillen tussen geslacht en gender te onderzoeken.
Het geslacht van een persoon wordt beschouwd als een fysieke constructie. Met andere woorden, in de meeste gevallen is het geslacht van een persoon ofwel mannelijk ofwel vrouwelijk, (in de regel) afhankelijk van de seksuele organen in het lichaam. Geslacht gaat dus over het fysieke, bij ‘gender’ draait het om je vrouwelijk of mannelijk voelen. Hoewel de specifieke genderrollen verschillen van cultuur tot cultuur, hebben de meeste gemeenschappen duidelijke definities van wat vrouwelijk gedrag en wat mannelijk gedrag is. Het gender is een belangrijk kenmerk in de meeste maatschappijen, en gemeenschappen leven de meeste genderrollen strikt na.
Eén van de meest belangrijke feiten om te weten over een mens, is het gender. Men wordt verwacht om zich te kleden en te gedragen naar wat bij zijn of haar gender past.
Een androgyn mens onttrekt zich hieraan.

GENDER

Gender vormt mede ons zelfbeeld en het beeld dat anderen van ons hebben. Van vrouwen verwacht men bijvoorbeeld dat ze meer emotioneel en zorgend zijn, bij mannen verwacht men eerder rationaliteit en competitiegeest.
Gender ordent onze samenleving. We ordenen én waarderen.
Mannelijkheid wordt in veel culturen hoger gewaardeerd wordt dan vrouwelijkheid. Gender sluipt (vaak onbewust) ook in onze regelgeving.
Opvattingen rond mannen en vrouwen zitten vervat in onze gewoontes en gebruiken. Ze bepalen wat kan (en wat niet) in onze samenleving.
Kortom, genderverwachtingen vinden hun doorslag in onze gewoontes, in onze regels, onze taal en in ons denken.

(HOOG)BEGAAFDE MANNEN EN VROUWEN

Is de genderontwikkeling bij (hoog)begaafden anders?
Zijn hoogbegaafde vrouwen, minder vrouwelijk dan normaal begaafde vrouwen?
En zijn hoogbegaafde mannen, meer in evenwicht met hun mannelijke en vrouwelijke kanten dan normaal begaafde mannen?

EN/EN

Persoonlijk heb ik de indruk dat (hoog)begaafden meer androgyn zijn dan normaal begaafden.
De veelzijdigheid kan zich even goed uiten in het vermogen om tegelijk agressief als zorgzaam te zijn, gevoelig en hard, dominant en onderdanig, zowel traditioneel en conservatief als opstandig en baanbrekend.
Zij kunnen afstand nemen en objectief zijn en tegelijkertijd gedreven en betrokken. Door hun openheid en gevoeligheid worden ze blootgesteld aan pijn en leed, maar ook aan heel veel genot.
Het bezit van eigenschappen die voor hun geslacht ongebruikelijk zijn betekent niet dat zij niet beschikken over die eigenschappen die voor hun geslacht kenmerkend zijn. Integendeel.

HET MIDDEN

Een complex karakter betekent niet dat er sprake is van een zekere neutraliteit, een gemiddelde. Het betreft hier een positie in het midden tussen twee uitersten.
Het betekent dat iemand in staat is om, wanneer de situatie dat vereist, van het ene uiterste naar het andere te gaan.
Een (hoog)begaafde man kan hierdoor in staat zijn om de leiding te nemen en om zijn gevoelens uit te spreken.
Een (hoog)begaafde vrouw kan in huilen uitbarsten bij het zien van een dood vogeltje maar evengoed haar beleidsplan op een assertieve duidelijke wijze verdedigen.

OORZAAK

Ligt de oorzaak van meer androgyn zijn in het gegeven dat (hoog)begaafden, veelzijdig (complex) zijn en automatisch mannelijk en vrouwelijke kenmerken vertonen?
Of zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen helemaal niet zo groot als men doet voorkomen en zijn (hoog)begaafde mensen minder beïnvloedbaar voor de stereotype beelden die ze meekrijgen waardoor ze zich als ‘compleet mens’ zich kunnen ontwikkelen?

Persoonlijk ga ik er van uit dat er wel degelijk verschil is tussen man(nelijke energie) en vrouw(elijke energie) en ik neig naar het idee dat (hoog)begaafden (on)bewust vaker de grenzen opzoeken.
Ook in dit opzicht kan je maar beter je eigen meetlat hanteren.
Ga voor de ontdekkingstocht, het experiment en de diversiteit en ontwikkel steeds meer ‘jij’.

Wilma van Galen

Zin-geving en passie

Zin-geving en passie, Wilma van Galen.

Een manier om ervoor te zorgen dat het tweekoppige monster ‘verveling en eenzaamheid’ in de regel niet gaat grommen of nog erger, gaat brullen is door zin te geven aan jouw persoonlijk leven.

Over zingeving kan je uren discussiëren maar als je het heel eenvoudig bekijkt draait het om ‘zin creëren en behouden’. Je geeft ‘zin’ aan je leven.
Welke activiteit maakt dat je flow gaat ervaren? Wie laat je schateren van plezier? Met wie ervaar je echte verbinding? Wanneer gaan je ogen stralen? Wat bezorgt jou een dosis energie? Wanneer verdwijnen je zorgen en je vraagtekens? Waardoor ervaar je dat jij net zo goed een deel bent van Gods liefde, het universum of waar jij ook in mag geloven?

PASSIE

Een passie hebben is een hartstochtelijke liefde ervaren voor iets of iemand.
Passie zet je hart op de tocht, geeft ruimte en licht aan wat er in je leeft. Passie zorgt voor gedrevenheid; voor beweging. Zolang je beweegt, leef je. Op het moment dat je ook met de kleinste beweging stopt, ben je dood. Eenvoudige gevolgtrekking die ook iets zegt over de waarde van ergens een passie voor hebben. (voor iemand passie ervaren laat ik nu even buiten beschouwing) Door tijd te steken in een passie voorkom je verveling maar ook voor een groot deel, eenzaamheid.

Ervaren van passie kan alleen wanneer je in verbinding staat met wie je bent (je kent jezelf!) en die verbinding kan ervoor zorgen dat eenzaamheid als sneeuw voor de zon verdwijnt. Passie ervaren gaat niet samen met gevoelens van eenzaamheid en verveling.

MY FIRST LOVE

Sommige mensen ontdekken als vanzelf hun passie. John Miles zong niet voor niets ‘Music was my first love’. Veel mensen hebben hun passie(s) ontdekt tijdens hun kindertijd. Voor anderen komt die eerste liefde pas later op hun pad doordat ze, bij wijze van spreken nooit eerder bepaalde tonen gehoord hebben.

GEBROKEN HART

Soms vervormen passies of ze raken door allerlei omstandigheden op de achtergrond. Door druk, druk, druk’ kan je geen tijd meer vinden c.q. neem je geen tijd meer voor je passie. Je lijf kunt gebreken vertonen waardoor je bijvoorbeeld niet meer kunt musiceren of de sport doen waar je je ziel en zaligheid in stopte.
Je bent perfectionistisch en dusdanig faalangstig geworden dat je maar niet meer bezig gaat met dàt wat je zo leuk vindt. Of je hebt niet voldoende leren automatiseren waardoor je overtuigd bent van dat je bepaalde dingen niet kunt. Je passie vraagt geld en letterlijk ruimte en die is er niet. Je bent je al op zo’n jonge leeftijd gaan aanpassen dat je werkelijk niet weet wat je heel erg leuk vindt. Je hebt zoveel kritiek op je hoeveelheid aan passies gehad, dat je er een aantal in de la hebt gestopt.
Met vervormen is niets mis maar je passie kwijt raken, is jezelf kwijt raken.

ZIN-GEVING

Als je geen flauw besef hebt waar je bloed van gaat stromen, niet weet hoe je binnen de omstandigheden je passie vorm kunt geven, last hebt van een overtuiging waardoor je jezelf in de weg zit of zoveel passies hebt dat je niet weet waar uit te kiezen; bel mij dan eens. Eén van mijn passies is het begeleiden van mensen. Eén passie die is ontstaan vanuit mijn verwondering, verbazing en soms verbijstering over (het gedrag van) mensen.

Wilma van Galen.

Tweekoppig monster

Wilma van Galen

Soms ervaar ik de wereld als een voortkabbelende stroom waaruit niets komt dat mijn brein -al is het maar voor een moment-, in vuur en vlam zet. Cliënten zorgen voor beweging en boeken kunnen mij wakker schudden maar daarnaast gaapt soms een groot niets van herhaling en oppervlakkigheid.

In die zee duikt soms iets op wat mijn aandacht trekt maar ik wil daar nog wel eens de enige in zijn waardoor mijn verbazing neerklettert en toch geen rimpel achterlaat.

Zuchtje wind

Wat is hoogbegaafdheid? De theorie staat in ‘Wat is hoogbegaafdheid’, in verschillende andere stukken ‘raak ik het aan’ en in de levensverhalen/interviews laten een aantal slimmeriken iets van hun belevingswereld zien.
En toch bekruipt mij het gevoel dat al die woorden alleen maar als een zuchtje wind de realiteit benaderen.
Woorden vervormen de realiteit. Logisch maar toch………….. .

Grote klont

Onlangs had ik zo’n week waarin de herhaling en oppervlakkigheid zich samenbalde als één grote klont van verveling en eenzaamheid. Zodra de deur achter mijn cliënten sloot en ik alle beelden in mijn hoofd en hart een plek had gegeven kwam de tweeling gretig aandraven.
Genoeg te doen; genoeg om mijn tijd te vullen maar dat knagende tweekoppige monstertje zorgde nou niet bepaald voor een glimlach.
‘Slim zijn is leuk, mits je slim doet’ maar dat voorkomt niet dat er af en toe dagen zijn waarin ik het gevoel heb dat ik mij in een stroom bevind waarin ik geen enkele armslag hoef te maken om mee te kunnen stromen.

Verbinding, intimiteit en zingeving

In die week waren een aantal momenten waarop ik van binnen opveerde. Een tweet van een filosoof die na bleef gonzen, een mail met een sprankel en een blog van een vrouw die duidelijk het knagende tweekopppige monstertje ook achter haar voordeur heeft liggen.
De vraag: ‘waarom drinkt u als u naar een feestje gaat’ en het antwoord ‘omdat ik mij anders verveel’ bleef net als haar droge commentaar ‘ze dacht dat ik een grapje maakte’ rondcirkelen in mijn brein. Veel mensen zullen denken dat deze dame naar de verkeerde feestjes gaat maar het lullige is dat het niet ligt aan het feestje of aan de mensen op het feestje maar aan het verschil in intellect.
Iets wat je niet van de daken af moet schreeuwen want voordat je het weet sta je op iemands teen. Zelfs binnen een groep hoogbegaafden moet je hiervoor waken en dat terwijl er toch echt een verschil is tussen iemand die (al dan niet) volgens een test net aan hoogbegaafd is en iemand wiens IQ extreem hoog is. Jammer want wel of niet slim zijn, slim of superslim zijn is totaal niet relevant maar werkelijk contact hebben met jezelf én met een ander wel.
De roep om ‘anders en meer’ is niet bedoeld om een ander te kwetsen maar veel meer een uiting van de behoefte aan werkelijk contact met jezelf en ‘de ander’. Aan verbinding, intimiteit en zingeving.

Leegte en gemis

Het tweekoppige monster ‘verveling en eenzaamheid’ geeft een gevoel van leegte; van gemis. Dat monster speelt in ieders leven aangezien we in basis alleen zijn; op ons zelf staan, maar in het leven van een slimmerik lijkt hij vaker de kop op te steken.
Wanneer je de helft van wat je denkt en voelt binnen moet houden omdat het anders te veel en/of te ingewikkeld wordt, ontstaat er geen gevoel van verbinding. Als communicatie blijft steken op een niveau en tempo die je dikke ogen en een geeuwend brein bezorgd dan zijn allerlei sociale contacten eerder vermoeiend dan energie opwekkend.
Wanneer je goed hebt geleerd om je aan te passen en je fiks aan het onderpresteren bent is de verbinding met jezelf, broos.
In ‘Zeven tips om met eenzaamheid om te gaan’ schrijf ik dat eenzaamheid een signaal is van onbalans in het contact met jezelf en/of met anderen. Tevens geef ik tips.
‘Slim zijn is leuk, mits je slim doet’, is niet voor niets mijn slogan. Maar toch, ook al kan ik goed met het tweekoppig monster overweg; het blijft een monster die soms mijn uitzicht belemmert.

Wilma van Galen

Een regenboog in het hoofd en een geur in mijn oren.

Wilma van Galen.

Synesthesie betekent ‘samen waarnemen’. Van synesthesie is sprake als we meerdere zintuigen gebruiken om iets waar te nemen.
Er zijn synestheten die bij het horen van muziek kleuren zien; bij wie letters en/of cijfers een kleur hebben et cetera. Bij de meeste synestheten speelt kleur een rol maar er zijn ook synestheten die bij bepaalde geluiden een smaaksensatie krijgen of iets ruiken bij bepaalde beelden.
Elke synestheet ervaart op zijn/haar eigen unieke manier. Voor de schrijver Daniel Tammet zijn zowel de woensdagen als het cijfer 9 blauw, maar voor een ander heeft de woensdag en/of het cijfer 9 een andere kleur.

Bij het horen van muziek ervaren de meeste mensen meer dan alleen de muziek. Herinneringen kunnen worden opgeroepen door muziek. En als je luistert naar ‘de Moldau’ kan je beelden krijgen van een beekje en een kolkende rivier.
Het verschil met een synestheet die kleuren bij het horen van muziek ziet, is dat het voor hem/haar niet uitmaakt welke muziek er wordt waargenomen. Het ervaren van kleur staat niet in relatie tot een herinnering of een bepaalde associatie.
Onderzoek staat nog in de kinderschoenen maar wat wel met hersenscans aangetoond is, is dat de hersenen van synestheten anders reageren.
Een theorie is dat we met deze gave zijn geboren maar dat de meeste mensen deze gave kwijt raken in het 1e levensjaar. Een aantal verbindingen, die bij de meeste mensen wegvallen blijven bij een x-aantal mensen bestaan. Bij deze theorie hoort de idee dat voor baby’s, alle prikkels één groot bad zijn en dat een volwassen synestheet geleerd heeft om informatie te filteren.
Een alternatieve theorie is dat informatie lekt in de hersenen. Een signaal dat voor het gehoor is bestemd lekt terug naar visuele gebieden.
Hoewel er (nog) geen ‘synesthesie -gen’ is ontdekt lijkt het er wel op dat erfelijkheid een rol speelt.
Overigens is de manier waarop we naar zintuigen en zintuiglijke ervaringen kijken afhankelijk van de cultuur waarin wij leven.
Wij gaan er van uit dat er vijf zintuigen zijn maar ene Albert Soesman stelt bijvoorbeeld dat er 12 zintuigen zijn. Wat ook een rol speelt is dat binnen de ene cultuur veel waarde wordt gehecht aan een bepaald zintuig terwijl binnen een andere cultuur deze een veel kleinere rol speelt.
Voor wie hier meer over wil lezen is het boek ‘Reis door het rijk der zinnen’ van Ackerman een aanrader.

Synesthesie is handig bij het onthouden van allerlei zaken omdat door het gebruik van meerdere zintuigen tegelijk, er direct of veel eerder een patroon te zien is.
Daarnaast is het hoe dan ook verrijkend want de beleving wordt breder en dieper.
Het is ook geen toeval dat veel kunstenaars en creatieve geesten een vorm van synesthesie hebben.
Sommige mensen vinden het niet altijd even handig omdat kleuren bijvoorbeeld kunnen afleiden. Je wilt bijvoorbeeld iets proeven maar de kleuren zitten in de weg. Het denken gaat langzamer, vanwege de verwerking van al die zintuiglijke waarnemingen, maar daarentegen kunnen synestheten snel associëren, verbanden zien en metaforen bedenken.

Ik kan weinig in de literatuur vinden over synesthesie in relatie tot autisme (i.h.b. het Syndroom van Asperger) en hoogbegaafdheid.
Volgens Crétien van Campen is er naar zijn weten geen correlatie tussen synesthesie en hoogbegaafdheid maar vooralsnog ben ik wel zo eigenwijs om te denken: ‘is dat zo?’
Wanneer je er van uit gaat dat zowel hoogbegaafden als synestheten meer werkende verbindingen in hun hersens hebben; zowel beelddenkers als synestheten vaker linkshandig zijn dan andere mensen en beelddenkers vaker hoogbegaafd zijn lijkt mijn ‘is dat zo’ niet geheel uit mijn duim gezogen.
Snel geredeneerd en niet gehinderd door veel achtergrondkennis zou het mij niet verbazen wanneer ooit uit onderzoek blijkt dat synesthesie en beelddenken vooral voorkomt bij slimmeriken en dat het gros daarvan linkshandig is.

In het boek ‘Tussen zinnen’ van Crétien van Campen wordt uitgebreid ingegaan op synesthesie en op de website www.synesthesie.nl kan je ook informatie vinden over het onderwerp.

Wilma van Galen, www.wilmavangalen.nl

Waarom voel ik me vaak zo incompetent? Ann Van Riet.

Ann Van Riet, Althea training & coaching.

Onlangs vroeg iemand mij: “Wat is eigenlijk het moeilijkste aan je vak, en wat is het makkelijkste?”

Het moeilijkste aan mijn vak, besefte ik onmiddellijk, is iets dat eigenlijk niets met het coaching-vak op zich te maken heeft, en alles met één van mijn meest hardnekkige patronen.
Het moeilijkste is namelijk dat ik nu bijna 5 jaar als zelfstandig coach werk, en me op veel momenten nog even incompetent voel als 5 jaar geleden.
Je zou toch denken, als logisch denkend mens, dat het niet anders kan dan dat je je na 5 jaar méér competent en méér op je gemak voelt dan in het prille begin? Tja. In dit opzicht speelt er duidelijk iets in mezelf dat niét zo logisch redeneert. 😉

Het makkelijkste van mijn vak, daar moest ik iets langer over nadenken. Het makkelijkste aan mijn vak is dat het eigenlijk vanzelf gaat. Eigenlijk stel ik maar wat vragen. Ik luister, en ik denk: “goh, ik ga dit voorbeeld eens vertellen”. Ik voel , er komt een woord in me op, ik zeg het hardop. Ik check in mijn lichaam welke signalen het geeft en ik vertel een metafoor.
“Hard werken” kan je dat bezwaarlijk noemen, niet? Of toch?

Terwijl ik aan het praten was, viel ook mijn frank: wat ik het moeilijkste vind aan mijn vak (een vermeend gevoel van incompetentie) en wat ik het makkelijkste vind (het gaat eigenlijk ‘vanzelf’) zijn de 2 kanten van dezelfde medaille.

Juist doordàt mijn vak zo bij me past, het zo natuurlijk aanvoelt, het niet voelt als ‘werken’ of ‘moeite doen’, kan ik het ook niet herkennen als een competentie!

Aanleiding dus om eens verder te onderzoeken hoe dit proces juist werkt! Hoe het komt dat we ons, hoewel we eigenlijk wel competent zijn in iets, ons toch volslagen incompetent kunnen voelen.

Factor 1: Je hebt een bepaalde competentie of kennis die aanvoelt als ‘vanzelf, ‘dat kon ik al altijd’, ‘ik moet geen moeite doen’.

Wat er eigenlijk aan de hand is, is dat je in deze competentie onbewust bekwaam bent. Je kan iets, maar je weet eigenlijk zelf niet hoé je het doet en in vele gevallen ook niet meer hoe je deze competentie geleerd hebt. Misschien ben je het leerproces vergeten, of misschien past deze competentie zo goed bij jouw talenten, dat er amper een leerproces geweest is (maar eerder een her-inneren van een competentie of kennis).

De valkuil die hierbij hoort, is dat we de competentie niet herkennen als ‘ik ben hier onbewust onbekwaam in’, maar dat we ze kaderen als ‘iedereen kan dit’, ‘het gaat vanzelf dus het is iets wat makkelijk is’, ‘ik doe geen moeite dus het is niet iets waar ik goed in ben’. En dat we denken dat we elk moment door de mand kunnen gaan vallen en eigenlijk angstig wachten op het moment waarop we ontmaskerd gaan worden als een incompetente bedrieger.

Tip 1: Telkens als je jezelf hoort zeggen ‘dat ging vanzelf, het stelt niks voor’ herkader je dit naar ‘het voelt alsof ik niets speciaals doe, maar dit is één van mijn onbewuste competenties.’

Factor 2: Je ziet vooral wat je niét kan, en niet wat je wél kan.

Oh jee, dat gesprek met die ene klant waarin ik die domme vraag stelde. En oh hemel, die nieuwe workshop waarin die ene oefening echt niet goed werkte. Ja ja, die zien we, die fouten. Maar alles wat we wél goed doen? We moeten moeite doen om dat te zien, en àls we het zien, dan zetten we factor 1 weer in: ‘ach, zo moeilijk was dat niet hoor, dat kan iedereen, dat is niet zo belangrijk, dat telt niet mee, … ‘ You get the picture!

Tip 2: Benoem voor jezelf wat je goed gedaan hebt, en merk op wat dat met je doet. Welke gevoelens en gedachten komen er? Onderzoek die gevoelens en gedachten, want ze geven je waardevolle info over de lading die hangt aan ‘zien en benoemen wat je goed kan’.

Factor 3: Je vergelijkt jezelf qua competentie met experts. Neen, niet met gewone experts, met top, experts. Neen, niet met gewone top-experts, met de aller-aller-aller-hoogste TOP-experts.

Ben ik goed in wiskunde? Vergelijk met Einstein. Ben ik goed in talen? Vergelijk met een native speaker. Ben ik een goede moeder? Vergelijk met alle experts samen die tegenstrijdige dingen zeggen waar je allemaal tegelijk aan moet kunnen voldoen.

Gevolg: in plaats van te leren van andermans competentie, zink je dieper en dieper weg in je eigen vermeende gevoel van incompetentie, waarbij je vergeet dat ook de experts fouten maken, dat je een heel beperkt beeld van hen hebt (alleen wat ze goed doen, niet hun mindere kanten) en dat ook zij een leerproces hebben doorgemaakt (en nog doormaken!).

Tip 3: Vergelijk jezelf niet met de TOP-experts, maar vergelijk je met je eigen niveau van gisteren, vorige week, een jaar geleden.

Factor 4: Je bent niet goed in het zien, voelen, opmerken van feedback. En hiermee bedoel ik heel ruim: je kan niet goed opmerken welk effect jouw daden hebben.

Vaak ligt dit aan onszelf (zie factor 2), vaak ook is het effect van gedrag niet zo duidelijk.

Neem nu mijn eigen vak: ik stel vragen, ik benoem, ik kader. Maar het is niet altijd duidelijk te zien wat het effect is. Als ik zélf een coachingsklant ben , dan voel ik heel duidelijk of er een effect is of niet. Soms direct, soms pas veel later. Soms heel rechtstreeks, soms via vele omwegen. Maar als ik aan de coach-kant zit en een proces begeleid, dan is dat vaak minder duidelijk. Wat is er veranderd, en, nog belangrijker voor iemand die worstelt met het thema competentie: wat is mijn bijdrage, en wat heeft de klant zélf gedaan?

(Ik geef toe dat ik op zo’n momenten wel eens tiekem terugverlang naar mijn vorige job. Niet naar de inhoud, maar naar de duidelijkheid: een formulier is getekend, of het is niet getekend. Een commissie geeft toestemming, of ze geeft geen toestemming. Je hebt aan een project een bijdrage geleverd, of je hebt geen bijdrage geleverd.)

Tip 4: Vraag feedback aan iemand die expert is in het geven van precisie-info. “Toen jij dat en dat zei, had dat dat-en-dat effect”. “Toen we die oefening deden, heb ik daar dat-en-dat van geleerd.” Merk op welke feedback herhaaldelijk terugkomt of welke effecten er steeds weer ontstaan als jij b ij een project betrokken bent.

Factor 5: Je neemt verantwoordelijkheid op voor iets wat niet van jou is.

Op het eerste zicht lijkt dit een hele duidelijke: als je iets probeert te doen wat je niet kàn doen omdat het niet in jouw handen ligt, dan heb je niets onder controle en kan je dus ook geen gevoel van competentie ontwikkelen.

Maar het is een heel verraderlijke! Want vaak zien we niet goed het onderscheid tussen wat we wél in handen hebben en wat niét. Zorgen dat mijn kind gelukkig wordt? Heb ik niet in handen. Haar leren hoe ze kan aangeven wat ze nodig heeft? Daar kan ik me iets bij voorstellen.
Als projectleider zorgen dat een project de deadline haalt? Heb je niet in handen. Helder zijn in je communicatie, hindernissen boven tafel brengen en grenzen aangeven? Dat is iets wat je wél kan doen.

Tip 5: Onderzoek wat je patroon is in het dragen van andermans verantwoordelijkheid. Is het iets wat je herkent in verschillende contexten van je leven?

Meer lezen?
Stephanie Tolan: Self-Knowledge, Self-Esteem and the Gifted Adult (http://www.stephanietolan.com/self-knowledge.htm)
Valerie Young, Overcome the impostor syndrome (http://www.impostorsyndrome.com)

Ann Van Riet
Althea training & coaching
www.althea-training.be

Unschoolen

De werking van unschoolen is gebaseerd op de zelfstandigheid van de leerling want die heeft het initiatief van het eigen onderwijs gekregen vanuit het interactiemodel van het leren-model. De inhoud van de eindtermen zijn te vinden in de brede pedagogische omgeving van de leerling. Door eigen onderzoek en interactie met de leerkracht zal de leerling kennis krijgen op alle vakgebieden. Deze kennisvergroting gebeurt vanaf de basis en wordt door de leerling zelf opgebouwd tot op zijn of haar interesseniveau, het niveau waarop schoolleerlingen hun opgebouwde kennis zullen hebben onthouden een half jaar na hun diploma-uitreiking. De algemene kennis op alle vakgebieden van een unschoollleerling zal eerder hoger liggen t.o.v. een schoolleerling dan lager. Dit komt omdat de unschoolleerling niet feitjes moet leren maar feitjes moet ontdekken in een geheel van andere feitjes. Door deze koppeling moet een unschoollleerling meer weten om de structuren van de maatschappij en de daarbij behorende kennis door te krijgen. Vanwege de benodigde zelfstandigheid kan de unschoolleerling efficiënter kennis en feitjes opzoeken vanuit gedegen en gekende bronnen omdat deze leerling dit al jaren gewend is te doen. Daarnaast heeft hij of zij het voordeel dat de verkregen kennis intern gecontroleerd wordt met overige relevante kennis. De kennis en feitjes staan nooit op zichzelf, het gaat meer en meer één geheel vormen van de verworven kennis over al die onderwerpen die ook in de eindtermen van het schoolonderwijs aan bod komen. Het leergebied van een unschooler zal breder en meer coherent zijn dan een school kan aanbieden. School moet vanwege de organisatie van het onderwijs de kennis versnippert aanleveren waardoor het onderlinge verband niet de aandacht krijgt die het verdient. Bij unschoolen is juist het verband tussen al de kennis en al de feitjes een kernelement om tot volledige ontwikkeling te kunnen komen.

Meer lezen? Download dan de PDF: Schoolonderwijs en Huisonderwijs. Auteur: Willem Wind, 2012.

De Manual

Hallo,

Ik moest aan je denken en heb de site Ik Ben Hoogbegaafd bezocht. Ik was nog geen 5 regels in je verhaal of ik dacht “ik neem contact met je op”. Dus vandaar.

Ik herinner me nog het SMSje van jou. Dat je wenste dat we een manual krijgen van hoe we met onze capaciteiten om moeten gaan. Maar zouden we die manual nodig hebben als we omringd werden door hoogbegaafden? Ik ben op zoek naar een leuke vrouw en normaal begaafden snappen niet dat het moeilijker is voor een hoogbegaafde. Ik denk wel dat ik niet genoeg de nadruk leg op dat aspect, maar wil niet zo’n gevoelig onderwerp als intelligentie zo vaak naar buiten gooien. Ik ben toch m’n les aan het leren en ga activiteiten bezoeken waar hoogbegaafden zitten. Ik kom er wel.

Ik dank je hartelijk voor het gesprek. Ik snap nog steeds niet hoe het komt waarom ik ik ben en niet iemand anders. Je moet iemand zijn uiteraard, ieder heeft zijn eigen gewaarwording, maar het is een interessant onderwerp.

Maar dat manual is denk ik alleen maar nodig om dat we een grotere denkcapaciteit hebben waardoor we maar moeten met hoe de wereld in elkaar steekt. Ik ben geen techneut maar ik voel zo vaak aan dat iets anders kan. Al die wetten waar mensen aan vastzitten. Het kan beter en de oplossing is simpel maar degene die de producten maakt is zich daar niet van bewust. Zoiets simpels als een CD-speler met minder knopjes. De trend was om het met minder knopjes te doen, maar moet dat nou? Dat 1 knopje meerdere functies moet vervullen. Lang ingedrukt houden, kort ingedrukt houden, dat idee. Het gezond verstand dat maar niet aan bod komt door de trend. Veel mensen leren regels maar weten eigenlijk niet waar het om draait.

Maar, in ieder geval, wat een hoogbegaafde moet doen is zijn eigen ingevingen vertrouwen. Het is niet erg als het anders is dan de normale tendens. Je zegt zelf ook “Doe je masker af.” en ik geef je groot gelijk. Het interne masker, in mijn ogen, zodat je doet wat het beste voor je is. Maar ik snap dat ik bijvoorbeeld meer m’n bek open mag trekken. Maar een masker of niet, het gaat erom dat je je gevoelens erkent en dat je snapt dat je anders bent dan anderen en hiervoor de verantwoordelijkheid neemt. Dat is in ieder geval wat ik mee maak. Ik denk anders dus moet ik anders doen. Wat normaal is voor een normaal persoon is niet de realiteit die geldt voor een hoogbegaafde.

Maar die manual is nodig omdat ook hoogbegaafden soms/vaak een reflectie nodig hebben van gelijkgestemden. Als die gelijkgestemden bewust zijn van wat het is met een speciaal denk kaliber  In m’n familie komt hoogbegaafdheid nooit aan bod. Volgens mij is er geen bewustzijn aanwezig dat we het allemaal moeilijk hebben/hadden. Ik ben er wel van bewust dat ik hoogbegaafd ben maar ik denk nooit voldoende na over wat het impliceert. Het is een valkuil in de zin van dat normale mensen nooit zo hard nadenken omdat ze gelijkgestemden vinden, maar omdat je het bent moet je er wat tijd insteken omdat het onontgonnen gebied is, hoe je moet zijn en handelen. Een manual is wel leuk. Een manual die uitlegt wat het is wat een hoogbegaafde behoort te doen. Een manual die de valkuilen uitlegt en een gebalanceerde oplossing biedt. “De wereld is zo, dus daarom moet je zo.”

Ik hoop dat het goed met je gaat. Ik vond het een leuk SMSje over die manual en zie dat ik er nu pas enig uitspraak over kan doen. Ik ben bezig met m’n boek over het ontplooien van talent en het beste uit jezelf halen maar ik zie dat ik bewust moet zijn van m’n hoogbegaafdheid. En wie is het publiek? Daar moet ik ook aan denken.

De beste wensen. Ik vind hoogbegaafdheid een spannend iets en ik denk dat er een hoop bagage wegvalt als ik m’n eigenzinnigheid accepteer en zie dat ik m’n best doe.

Als er ooit iets is. Als ik je ergens mee kan helpen, laat het me weten.

Ik wens je een prettige dag.

Alwin=

Passend onderwijs voor hoogbegaafden

Ik begin graag aan de basis en dat is de definitie van van Dale over leren.

1le·ren (werkwoord; leerde, heeft geleerd)

1 onderwijs geven; onderwijzen

2 vaardigheid in iets (laten) krijgen: al doende leert men

3 in het geheugen opnemen: een les leren

4 zich kennis of vaardigheid proberen eigen te maken; studeren: leren voor onderwijzer

Leren is dus, én onderwijzen én het zich eigen maken. Daar is duidelijk de interactie in te zien die kenmerkend is voor het leerproces. De leerkracht moet willen en kunnen onderwijzen en de leerling moet het zich eigen willen en kunnen maken. Of dit nu lesstof is of een vaardigheid, dat maakt niet uit.
In het reguliere onderwijs is bij deze interactie altijd de leerkracht degene die het initiatief heeft. De leerkracht bepaalt wat wanneer en hoe de lesstof of vaardigheid wordt onderwezen en de leerling volgt dat leerproces welke ook in tijd is vastgelegd.

Deze manier van leren werkt goed voor veel leerlingen. Tussen de 60 % en 80 % slaagt er redelijk tot optimaal in om lesstof zich eigen te maken en vaardigheden te ontwikkelen. Hierbij ligt het zwaartepunt van de interactie nog steeds bij de leerkracht maar er is een zekere terugkoppeling van de leerlingen.

Kijken we naar het speciaal onderwijs dan is het initiatief van het onderwijs sterk in handen van de leerkracht. Deze bepaalt in grote mate wat er gebeurt en wat er geleerd wordt. Hierbij is aan te halen de fout uit het verleden dat de leerkracht(=het onderwijs) de vraag beantwoordde wat zulke kinderen moesten leren en weten, terwijl nu veel meer naar de leerlingen wordt gekeken wat en hoe ze kunnen en willen leren. Een voorbeeld is het gebruik van de keuken. Vroeger werd erover gepraat, nu staat er een echte keuken in de klas en wordt alles voorgedaan en door de leerling gereproduceerd op hun snelheid en niveau. En dat werkt natuurlijk beter omdat de interactie dat leren heet, is hersteld.

Voor hoogbegaafde leerlingen is de interactie ook verstoord. Waarom is niet zozeer de vraag want de grote uitval onder deze groep maakt ons duidelijk dat de interactie, om tot leren te komen, nauwelijks bestaat. Ook in de speciale afdelingen voor deze leerlingen is de leerkracht nog steeds de eigenaar van het onderwijs en moet de leerling dat gekozen pad volgen. De problematiek vermindert natuurlijk door de aanwezigheid van peers en de extra zaken maar het feitelijke leren, voor een diploma, is nog steeds een initiatief van de leerkracht (lees onderwijs).

Gelet op de kenmerkenlijstjes die overal te vinden zijn en die te koppelen aan de organisatie van die interactie, leerkracht – leerling, kun je makkelijk afleiden dat die interactie op een veel betere manier vorm gegeven kan worden. Deze leerlingen zijn zelfstandig, leren makkelijk, hebben een goed geheugen, etc en hebben dus alles in huis om uitstekende leerlingen te worden. Het probleem is dat die interactievorm die kenmerken, niet honoreert. De normale interactievorm is dat van een volgzame leerling en een initiërende leerkracht.

Om die interactie optimaal te krijgen is het nodig dat de leerling het initiatief krijgt van diens onderwijs. Dan is de interactie, het leerproces te omschrijven als dat van een zelfstandige leerling en een volgzame leerkracht. En gelet op de kenmerkenlijstjes is zulk een benadering van de leerling passend voor hoogbegaafde leerlingen.

In de praktijk betekent dit nogal wat en daarvoor is toestemming nodig van het onderwijsveld en het ministerie. Het betekent onder anderen dat de leerling bepaalt welke lesstof of vaardigheid aan bod is. De leerling bepaalt ook de snelheid en de leerling laat zien wat hij weet en kan, en gaat van daaruit op eigen tempo verder. Dit in tegenstelling tot het onderwijsmotto, alleen wat ik de leerling heb vertelt of voorgedaan weet de leerling ook. Dit is overigens in extreme vorm het initiatief leggen bij de leerkracht en niets bij de leerling.

Een schoolomgeving kan er dan als volgt uitzien. De leerling heeft kennis van het leerproces, de einddoelen en heeft het initiatief over diens onderwijs ofwel vrijwel alles wat eerst bij de leerkracht lag, ligt nu bij de leerling. De rollen zijn feitelijk omgedraaid.

Nu is de buitenstaander niet zo geïnteresseerd in wat er nu in de klas gebeurt dus daar kan al veel gestalte krijgen. Maar het belangrijkste, wanneer is een leerling klaar met een school, moet ook bepaalt worden door de leerling en niet door de leerkracht. En nu protesteert de buitenstaander want een kind van 10 kan toch niet klaar zijn met de basisschool? Komt dat wel goed, soc. emotioneel, ed..

Ja, dat komt helemaal goed als die leerling naar eenzelfde volgend interactieproces kan en mag als op de basisschool. Dus zal het veelvuldig voorkomen dat een 12-jarige klaar is met het voortgezet onderwijs. En dus moet er ook een universitaire opleiding zijn met een soortgelijke interactiemodel.

Dit is allemaal makkelijk te realiseren als de initiatiefnemer van dit soort onderwijs maar toestemming heeft om dit zo te organiseren. Dan gaat het niet over geld, het zal goedkoper zijn dan nu en goedkoper dan regulier onderwijs, het zal goed zijn voor de leerlingen maar of de maatschappij het aankan is nu de vraag. En die kunnen we warm maken met zaken die zij als positief ervaren. Niet jaloers maken maar onderstrepen dan dit soort leerlingen goed kunnen meehelpen ons landje er weer bovenop, of zoiets.. En natuurlijk wijzen op het feit dat dit past bij dit soort kinderen en zij willen toch ook dat het onderwijs goed is voor hun kinderen?

De vergelijking met het zwakbegaafdenonderwijs is te maken zoals ook een vertegenwoordiger van Leonardo in Groningen tegen me zei. Hij was jaren in dat onderwijsgebied actief geweest en het leek hem ook interessant om die switch te maken bij hoogbegaafden. De wethouder aldaar in hetzelfde gesprek, PvdA, keek mij met afschuw aan toen ik dit allemaal vertelde in andere woorden.

Een ander voorbeeld is het dovenonderwijs. Jarenlang moesten ze leren liplezen en spreken en absoluut geen gebarentaal spreken. Zelf niet onderling of thuis. Dit leidde tot ongelukkige leerlingen die erg argwanend werden tov alles. Hun communicatievaardigheid was erg laag daardoor geworden. Toen dat veranderde werden het zelfverzekerde mensen die toevallig doof waren. En er kwam gebarentaal in dialect! Zo konden ze opeens wel goed communiceren.

Dit verschil zal ook te zien zijn bij hoogbegaafde leerlingen. Ze zullen echt anders worden, sociaal vaardig, goed kunnen leren en ook minder bijwerkingen hebben als HSP, autisme, gedragsproblemen ed.. Want in het nieuwe interactiemodel passen ze als een vis in het water.

Een boel geschreven en ik hoop duidelijk genoeg voor jou. Ik kan qua uitwerking nog veel meer zeggen. Nodig me uit, zou ik zeggen.

Ik zie ook de reacties graag tegemoet op deze website.

Willem Wind.

 

 

De geschiedenis van de hoogbegaafdheid

Als er discussie is over de inhoud van een bepaalde term is het altijd wijs om de ontstaansgeschiedenis weer eens voor het voetlicht te brengen.
De Franse psycholoog Binet heeft een test ontwikkeld voor kinderen om te kunnen voorspellen wat hun schoolprestaties worden. Dit omdat hij efficienter onderwijs wilde geven. De door hem ontwikkelde IQ-test bestaat tot op heden. De maat IQ is gestandaardiseerd op kinderen van 10 jaar. Scoort een 10-jarige als een gemiddeld kind van 14 dan is het IQ 140. Scoort het kind als een gemiddelde 8-jarige dan heeft hij/zij een IQ van  80. Binet merkte evenals zijn latere collega’s op dat als een willekeurige groep mensen een IQ-test word afgenomen, daar altijd de Bell-curve uit ontstaat. De meeste mensen scoren gemiddeld en steeds minder mensen scoren extremer, positief of negatief. De laagste groep scoorders worden laagbegaafd genoemd en de hoogste scoorders worden hoogbegaafd genoemd.
Om waarschijnlijk ook politiek correcte redenen heeft men geen grip kunnen/willen krijgen op de groep hoogbegaafden. Waarschijnlijk is dat nog een erfenis van de Franse Revolutie, en de daaruit voortvloeiende maatschappelijke visie op de mensheid.
Later hebben diverse psychologen inhoud proberen te geven aan de term hoogbegaafd. Bekenste zijn de modellen van Mönks/Renzulli en van Heller. Wat ontstaan is, zijn twee richtingen, kijkend naar de gemiddelde hoogbegaafde en kijkend naar wat een hoogbegaafde doet/zou moeten doen. In het tweede geval gaat het dan om de performance die duidelijk moet indiceren dat het gaat om een hoogbegaafde. Daarbij speelt bijvoorbeeld mee uitzonderlijke prestaties, het laten zien van uitzonderlijke creativiteit en een maatschappelijk succesvol leven. Dit is vooral ontstaan vanuit het denken over de term hoogbegaafd. Met de oorsprong en geschiedenis van deze term wordt geen rekening gehouden.
Als je kijkt naar de gemiddelde hoogbegaafde dan zie je een veel gevarieerder beeld  Het kan variëren van de bijstandstrekker(ster) die wat zwart bijklust tot de tweede man van een international en alles wat ertussen zit.
Zelf ben ik voorstander van de originele betekenis, de groep hoogste scoorders op de IQ-test(2%), te betitelen als hoogbegaafd zoals ook de wereldwijde vereniging Mensa dit al sinds de oprichting doet.
Kijken we naar het model van Mönks en Renzulli dan is het enig objectief meetbare het IQ; creativiteit en volhardendheid zijn eigenschappen die alleen subjectief te waarderen zijn. Duidelijk wordt dit uit de toevoeging op het model door Mönks, te weten de factoren gezin, peers en werk/school. Als de laatste drie factoren niet meewerken aan de ontwikkeling van het hoogbegaafde kind dan is de enige mogelijkheid voor het kind om zich te verstoppen in zijn/haar intelligentie of wild van zich af te slaan.
Mijn conclusie: je kunt de mensheid opdelen in diverse soorten groepen: mannen en vrouwen en hoogbegaafden en laagbegaafden, maar ook in maatschappelijk succesvollen en een uitvallers. Voor elke opdeling bestaan er termen die je niet zomaar mag gebruiken bij een andere indeling van de mensheid. Maatschappelijk succesvollen zijn wel vaak mannen maar toch kan de groep mannen er niet op aangesproken worden. Zo ook de term hoogbegaafd: die geldt alleen als je de bevolking opdeelt naar aanleiding van hun IQ-scores. Deze term heeft dan ook niets te maken met de indeling die bijvoorbeeld Gardner maakt. De term hoogbegaafd mag niet vallen dan alleen als een specifiek persoon ook hoog scoort op een IQ-test.
Willem Wind

De parabel van de leerbal.

De schoolervaring van elke leerling kan gezien worden als het steeds vangen en gooien van een bal, staand buiten op een grasveld.
De leraren gooien de bal, een tennisbal in hun optiek en de ene leerling ervaart het ook als een tennisbal. Dit zijn de gewone, goede leerlingen.
Een andere leerling ervaart het als een basketbal. Het lukt vaak om die bal te vangen maar het is wat moeilijker.
De ‘slechtste’ leerling ervaart het als een medicijnbal. Een grote bal van minimaal 10 kilo. Met veel moeite, doorzettingsvermogen en wat geluk en ondersteuning kan een enkele leerling dat volhouden maar de meesten gaan naar een ander veld om daar hun tennisballen te ontvangen en te gooien.
Er zijn ook leerlingen die het ervaren als pingpongballen. Het lijkt alsof dat geen moeite hoeft te kosten. Het weegt nauwelijks iets en is makkelijk te hanteren. Maar probeer het maar eens op een grasveld, buiten… De wind blaast het af en toe weg, het stuitert in je handen en teruggooien is lastig, de leerkracht lijkt te ver weg, de wind blaast het opzij. Als je handig bent lukt het zo af en toe goed. Concentreren, precies goed doen en geen foute inschatting maken over allerlei irrelevante details. Dan lukt het meestal wel. Maar soms wil zo’n leerling gewoon een tennisbal krijgen of zelfs een medicijnbal. Je wordt moe van al dat gestuiter van die pingpongbal…
Soms bedenkt een leerkracht iets. Dan krijg je jouw gewone pingpongbal en 1 keer in de week een tennisbal. Die laatste is leuk als afwisseling maar je moet je elke keer weer aanpassen aan die andere bal..(plusklasje)
Een andere leerkracht stampt het pingpongballetje helemaal plat en klein en dan krijg je die.(compacten) Makkelijk want die stuitert niet meer zo erg. Maar het is ook wel erg weinig om mee te gooien. De leerling blijft iets missen. Hij/zij is gewoon te sterk om lol te hebben aan het gooien met een klein stukje plastic.
Een andere leerkracht heeft ook iets bedacht. Hij verzwaart de pingpongbal met bv een andere pingpongbal. Of hij plakt er veel tape omheen. Of hij doet er een staart aan. Leuk voor een eerste keer maar leren is toch een BAL ontvangen en teruggooien? Wat moet je met de rest? Even is het leuk. (verrijken)
Deze leerling kun je ook binnen plaatsen zodat de wind geen effect heeft op de pingpongbal. Je kunt hem ook een bat geven zodat het wat sneller gaat. En af en toe wat wimpels aan die pingpongbal toevoegen.(aparte klas, 6 jaar VWO)
Een enkele leerling doet alsof (of denkt dat) zijn pingpongbal een tennisbal is(soms zelfs als een medicijnbal). Na één keer blijven zitten in de eerste klas moet hij/zij met de kerst naar een andere school. Daar gooien ze in zijn/haar optiek met papierpropjes. Zijn/haar interesse in het leven nadert een dieptepunt.
Wat echt helpt is natuurlijk als leerkracht gooien met een tennisbal die bij die leerling dan ook aankomt als een tennisbal. Lekker buiten met alle andere kinderen die wellicht denken, zoals zij gooien met die medicijnbal, dat is niets voor mij maar…. zij hebben lol! (Aparte klas, zoveel jaar als nodig voor VWO, Boxschool, top-down)
Willem Wind, september 2008.