Vraag maar raak! Vraag 38

Wat zijn de fundamentele verschillen tussen uitzonderlijk begaafde kinderen* en hoogbegaafde kinderen?

* Bijv: 7 jaar, in zes maanden tijd 2 gymnasium klassen doorlopen, en stage in het AMC

Antwoord:

Dit is een vraag met vele lagen. In eerste plaats is ‘begaafd’ een term die gebruikt wordt voor mensen met een positief en maatschappelijk-bruikbaar talent voor iets. Een begaafde spreker of een begaafd pianist. Een begaafde leugenaar hoort niet in dat lijstje. De term ‘hoogbegaafd’ komt vanuit de indeling naar intelligentie. Hoogbegaafde mensen scoren uitzonderlijk hoog op een IQ-test en blijken in de praktijk ‘anders’ te zijn dan de doorsnee. Soms goed passend in het schoolsysteem en soms ook totaal niet.

Het onderwijs heeft altijd al gehaspeld met de termen talent, begaafd, ed.. Ze willen elk kind iets positiefs toedichten want elk kind doet er toe. Ik heb daar altijd al moeite mee gehad want de meeste kinderen hebben niets speciaals dan alleen dat ze mens zijn en er daarom er toe doen.

In tweede plaats gaat de vraag over schoolprestaties van uitzonderlijk intelligente, dus hoogbegaafde, kinderen. Waarom kan de ene zomaar leren en komt de ander nauwelijks uit de startblokken in het onderwijs. Het fundamentele verschil zie ik in de manier waarop onderwijs georganiseerd is. Ze nemen elk kind in groep bij de hand en sturen hun denken en handelen tot in detail. Een kind dat hier geen moeite mee heeft en geen emotionele weerstand ondervindt bij zichzelf, leert makkelijk op school. Het is een leerling die je aan kunt sturen als leerkracht. En de leerling weet erg snel wat de leerkracht wil horen, het kan een leerboek doorbladeren en aanduiden wat voor de leerkracht de belangrijkste zinnen zijn. Bij emotionele weerstand of drang naar eigen gedachten of drang naar het zelf inpassen van het geleerde in het eigen geheel der dingen, is de schoolprestatie per definitie problematisch. Dat kind loopt niet mee in de pas van de leerkracht, het heeft een geheel eigen tred.

Maar de ‘ideale’ leerling moet nog een hulp hebben, namelijk zijn/haar ouders. Meestal jongens.. Die moeten ook in de pas lopen, ingangen hebben, de opleiding hebben, het werk hebben, waardoor de leerkracht zeker weet dat het kind die snelheid aankan én ondersteund wordt door diens omgeving. De leerkracht gunt dat kind iets en de houding van dat kind speelt een grote rol in dezen.

Door de beperktheid van het onderwijs, er is maar 1 manier om te leren, het volgen van de leerkracht, komen er nogal wat leerlingen in de knel. De maatschappij staat gelukkig steeds meer open voor alternatieven, nu de overheid nog. Zij kan met goede regelgeving, ruimte bieden aan elk kind.

Terug naar het overzicht van ‘Vraag maar raak!’.