Wie is hoogbegaafd?

De laatste tijd, waarschijnlijk vanwege de vakantie, lees ik steeds meer rare berichten over wie wel en wie niet hoogbegaafd zou zijn. Dat een intelligentietest niet zozeer intelligentie test en zo meer van die rariteiten. Voor mij een mooie aanleiding om een column te schrijven over dit rare fenomeen dat telkens weer opduikt en ook zelfs gewaardeerd wordt door sommigen.

Hoogbegaafd is net als laagbegaafd, een term die voortkomt uit de ontwikkeling van de intelligentietest. Het simpelste is dus om iedereen die het past, het label ‘hoogbegaafd’ mee te geven. Wil je weten wat hoogbegaafd-zijn is dan kijk je naar de groep met dat label en je weet wat hoogbegaafd-zijn is.

Zo simpel is het niet. De doelgroep houdt niet van simpel maar van nadenken en dan kun je alle kanten op. Je kunt ook redeneren van een eigen idee wat een hoogbegaafde zou moeten zijn. Vaak is dat dan wel een verbeterde versie van wie jezelf denkt te zijn. En vooruit, soms wordt de partner en/of kinderen er ook in betrokken. En dan kun je zeggen wie wel en wie niet hoogbegaafd is. Men moet dan wel jouw oordeel accepteren.

De wetenschap wil altijd vooruitgang boeken. Zaken ontdekken en dingen in een ander licht bekijken. En bij hoogbegaafdheid en IQ wordt dat door velen zeer gewaardeerd en gedaan en zelfs de basis wordt bediscussieerd. Het is een emotioneel en gevoelig onderwerp en daar hoort geen simpelheid bij. Op dit gebied is het wetenschap in het kwadraat qua vraagtekens zetten bij alle onderdelen en de basis van het onderwerp. En dan kom je al doordenkend uit(even wat grote stappen genomen) op de constatering dat iemand pas hoogbegaafd is als die persoon een zeer uitzonderlijke prestatie neerzet. (4 studies doen en een onderzoek leiden) En dan is die persoon alleen in die periode hoogbegaafd tenzij hij/zij de voorgaande prestatie aan het verbeteren is. Zo wordt de groep hoogbegaafden wel erg klein en overzichtelijk. Dan kun je het woord ook afschaffen, wel zo makkelijk.

Toen ik net lid van Mensa was, ging ik veel naar borrels en bijeenkomsten. Erg leuk en verwarrend om steeds je spiegelbeeld tegen te komen, iets wat ik privé nooit eerder zo ervaren had. Voor Mensa had ik geen benul van IQ of hoogbegaafdheid of dat dat te bezien viel als een groep die opvalt door een uitzonderlijk hoog IQ en ‘anders’ zijn. In die tijd wilde ik alles weten over hoogbegaafdheid. Wat is het, wie zijn het, hoe zijn ze, alle vragen van de regenboog kwamen aan de orde. Maar ik voelde wel aan dat ik op een kruising was en dat ik moest kiezen welke route mij bracht waar ik wezen wilde: snappen wat een hoogbegaafde is. Dat kruispunt was de keuze of dat ík in eerste instantie bepaalde wie hoogbegaafd genoemd mag worden of dat ik naar de groep moest kijken zonder (voor)oordeel, zonder eigen inbreng en dat de groep zou aangeven wie hoogbegaafd is.

Als iemand met een wetenschappelijke insteek, iets wat veel hoogbegaafden hebben, besloot ik de groep te bestuderen. Iets wat ik bij alles al wel deed, ik ben een toeschouwer, een observator, iemand die tijdens het observeren zo klein mogelijk is omdat anders de observatie vertekend wordt door de observator.

Ik begon met een grof plaatje en vooral in het begin moest ik dat plaatje uitbreiden en verfijnen en nu nog wel, af en toe. Dan kom ik een hoogbegaafde tegen die niet in mijn plaatje past en dan ben ik geïntrigeerd in die persoon.

De vraag was ‘Wie is hoogbegaafd?’. De meest eerlijke manier en het meest tegemoetkomend aan de menselijke diversiteit is dit antwoord: iedereen die voldoende hoog scoort op een intelligentietest. Wil je weten wie en wat hoogbegaafden zijn, bestudeer dan die groep met een open mind. En maak het een gespreksonderwerp!

Elk ander antwoord vind ik meestal ‘leuk gevonden en bedacht’ maar ook schadelijk voor de doelgroep. Kunnen we eens gaan bouwen aan kennis en begrip zonder steeds weer de basis, wie is hoogbegaafd, in twijfel te trekken? Of zijn we daarvoor nog niet dapper genoeg.

Column: De tweede bovenkamer.

Het rommelt. Niet alleen dat het onweert. Maar het rommelt in mijn bovenkamer. Volgens mij heb ik er meerdere. Ik weet sinds kort. He ik wil de term niet noemen. Ik begin enorm te stotteren. Ik ben hoogbegaafd. En ernstig hoog gevoelig. Jarenlang heb ik in de eerste bovenkamer gewoond. En lieve lezer dat was gewis geen pretje. U zult vast een beetje schrikken. Ik ben betiteld als zwaar gestoord. Door psychiaters. Dat zijn lieve lezer geen prettige mensen als je naar de tweede bovenkamer wil. Ik heb 10 keer in een separeer cel gezeten. Ach ik zal u de details besparen.
Het rommelt. Mijn gedachten gaan razendsnel. Ik verveel me snel. En ik spring van de hak op de tak. Het liefst doe ik 4 dingen tegelijk. Ja ik ben eindelijk in de tweede bovenkamer. Maar een nieuwe strijd barst los. Help ik ben hoogbegaafd. Even een tandje terug. Ik voel me eenzaam op deze prachtige planeet. Niemand die me begrijpt. Sinds kort. Toen kwam ik via via in contact met een man die hoogbegaafd was. Die heeft me gebracht in de tweede bovenkamer. Een nieuwe wereld ging open. Puzzelstukjes vielen op zijn plaats. Ik heb op mijn 20e heftige spirituele ervaringen gehad. En dan bedoel ik ook heftig. Dit gecombineerd met mijn gevoelige geest. En de enorme opslag capaciteit. Ik ben nu 34 jaar oud. En ik doe mijn masker af. Ja waarom niet? Face off. Dat is een goede film dacht ik.
Ik kan mijn verhaal uitbreiden met een boekwerk van 10 delen. Maar dat doe ik niet. Ik hoop dat er een punt van herkenning voor u tussen zat.
Met vriendelijke groet,
Gerben.

Scratch!

Liesbeth van Damme
Liesbeth van Damme

Scratch, een programma speciaal voor kinderen en jongeren om te leren programmeren. Je kunt je eigen interactieve verhalen, spellen en animaties maken. Echt iets voor een plusklas dus. In Groot-Brittannië is het al een vast onderdeel op het lesrooster. Scratch zelf omschrijft het als volgt: ‘Scratch helpt jonge mensen creatief te leren denken, systematisch te redeneren en samen te leren werken; essentiële vaardigheden voor het leven in de 21ste eeuw’. Nadat ik bij een andere plusklas heb meegekeken terwijl zij meerdere gastlessen kregen over dit programma, dacht ik dat ik wel genoeg had gezien en gedaan om de kinderen bij mij in de klas Scratch te introduceren.
Uiteraard waren de kinderen meteen enthousiast. Als een welopgeleide leerkracht begin ik netjes met het introduceren van de verschillende stappen van het programma. Maar al snel hoor ik: ‘mogen we nou zelf, wanneer mogen wij?’. Oké, top-down dan maar: ‘na de meivakantie hebben jullie allemaal een eigen spel gemaakt met Scratch!’. Wat ontzettend gaaf om te zien hoe snel de kinderen het programma onder de knie hebben. En wat een betrokkenheid. Wanneer ik de vraag krijg van een leerling over iets wat bij haar niet helemaal lukt, geef ik eerlijk toe dat ook ik nog niet alles weet. ‘Oh, wacht maar juf, ik weet dat wel, laat mij maar’, hoor ik een jongen zeggen. Een beetje beschaamd over mijn tekortkomingen laat ik het hem uitleggen. Een andere jongen helpt ook mee en binnen de kortste keren is het probleem opgelost. Nou, met dat samenwerken zit het wel snor.
Een week later hebben sommige leerlingen al een heel spel in elkaar gezet. Natuurlijk nog wel wat schoonheidsfoutjes hier en daar maar wat een geweldig resultaat. De kinderen zo gemotiveerd en enthousiast te zien, geeft me een warm gevoel. Hopelijk zien de ouders dit ook zo en krijg ik geen vervelende reacties over dat hun kind nu alleen nog maar meer achter de pc zit. Maar zeg nou zelf, deze kinderen zijn toch de toekomst? Over vijf jaar maken ze geen rijtjes rekensommen meer maar maken ze een heel eigen rekenspel waarbij zijzelf én andere kinderen op een leuke manier leren te rekenen. Win-win dus. Maar wat ben ik blij dat ik in mijn plusklas de tijd en ruimte heb om de kinderen zo’n programma te laten ontdekken. Ik kan alleen maar hopen dat de basisscholen en middelbare scholen ook snel inzien dat we echt grote stappen moeten maken als het gaat om onderwijs in de 21ste eeuw.

Columnist: Liesbeth van Damme – Specialist hoogbegaafdheid – Leerkracht bovenschoolse plusklas –Liesbethvdamme@hotmail.com –@LiesbethvDamme – 6 jaar ervaring met de plusklas – is zelf niet hoogbegaafd

Column: Laat ze gewoon een toren van spaghetti maken!

Liesbeth van Damme
Liesbeth van Damme

Laat ze gewoon een toren van spaghetti maken!

Oh help! ‘Geen budget om leuk materiaal te kopen voor in de plusklas of om die interessante gastspreker te laten komen en hoe kunnen we nou het creatieve denkvermogen van die kinderen aanspreken? Voor spelling is er helemaal geen verrijking!’ Regelmatig krijg ik dit te horen van leerkrachten en ook zelf heb ik het mogen ervaren. Als er één ding is wat ik geleerd heb de afgelopen jaren als leerkracht van de plusklas, dan is het creatief zijn. Toen ik net van de Pabo kwam, moest ik er niet aan denken de methodes los te laten. Lekker alles braaf volgens het boekje doen. Tegenwoordig krijg ik de kriebels van zulke leerkrachten. Een dure gastspreker kan ook een ouder van één van de kinderen zijn die een interessant beroep heeft. En materiaal hoeft niet duur te zijn. Kijk eens wat je allemaal kan met bijvoorbeeld spaghetti en marshmallows. Opdracht: bouw een zo hoog mogelijke toren. De kinderen weten niet hoe snel ze moeten beginnen. Daarnaast is het een opdracht die jong tot oud kan uitvoeren. Van kleuters tot op de middelbare school. Op Youtube zijn ontzettend veel filmpjes te vinden van gemaakte kunstwerken met alleen spaghetti als hoofdonderdeel.

Knikkerbanen maken van schoenendozen en wc-rolletjes en bruggen van papier en satéprikkers zijn ook mooie voorbeelden. En laat de kinderen maar eens een uur de meest moeilijke vliegtuigjes vouwen. Betrokkenheid alom. Het feit is dat wanneer je een ‘open’ opdracht geeft, het creatieve denkvermogen meteen gaat werken. En het fijne is dat je deze opdrachten door alle leerlingen kunt laten uitvoeren. De hoogbegaafde leerling gaat meteen aan de slag zodra hij/zij het doel van de opdracht weet (top-down) en de minder begaafde leerling heeft iets meer instructie nodig. Op deze manier zullen er een hoop verschillende resultaten verschijnen. Laat ze maar eens nadenken over hun eigen droomschool of het ontwerpen van een hotel speciaal voor kinderen.
Natuurlijk begrijp ik dat zo’n creatieve (techniek)opdracht niet altijd als verrijking voor een reken- en/of taalles kan dienen. Maar ook met deze vakken kan er creatief worden omgegaan. Bijvoorbeeld spelling, hartstikke saai natuurlijk. Goed, wat dacht je van een eigen woordzoeker of kruiswoordraadsel laten maken van de woorden van de week? Of laat de leerling een zelfgekozen interessant artikel uit de krant of tijdschrift meenemen en daarin zelf moeilijke woorden zoeken. En het ontwerpen van een leerhulpmiddel m.b.t. de werkwoordsspelling voor kinderen die hier juist moeite mee hebben, is misschien ook een idee. Uiteindelijk word je steeds handiger in het bedenken van creatieve opdrachten. Inmiddels heb ik in mijn plusklas aardig wat kant- en klare (open) opdrachten in de kast liggen. Wat erg prettig is want iedere week iets nieuws bedenken, breekt op een gegeven moment ook op. Dan denk ik pfff…. wat zal ik nu weer eens met de kinderen doen? En heel af en toe droom ik dan weer over de tijd waarbij ik gewoon heerlijk een methode uit de kast kan pakken. Heel eventjes maar……

Columnist: Liesbeth van Damme – Specialist hoogbegaafdheid – Leerkracht bovenschoolse plusklas –Liesbethvdamme@hotmail.com –@LiesbethvDamme – 6 jaar ervaring met de plusklas – is zelf niet hoogbegaafd

Verhalen uit een plusklas: de Klaagmuur

Liesbeth van Damme
Liesbeth van Damme

De Klaagmuur
De Klaagmuur in Jeruzalem. Ik ben er nog nooit geweest en ik begrijp dat het een heilige plek is waar mensen komen bidden, dankbaar zijn maar ook klagen en treuren. Ieder jaar weer, tijdens de gesprekken met de ouders van mijn leerlingen, denk ik dat ik toch echt heel dicht in de buurt kom van hoe die Klaagmuur zich moet voelen. In de Plusklas gaat het allemaal zo ontzettend goed met hun kind, dit is echt wat ze nodig hebben. Maar de reguliere school waar hun kind doorgaans nog vier dagen per week moet doorbrengen, voldoet in niets aan de onderwijsbehoeften van hun zoon of dochter. Aldus de ouders. En ergens hebben ze wel gelijk.
In Nederland zijn we gewend die kinderen die net niet helemaal mee kunnen met het gemiddelde niveau of erger nog compleet uitvallen, dusdanig te helpen dat met veel trekken en duwen deze kinderen toch over kunnen naar de volgende groep. Die enkele meer- of hoogbegaafde leerling in de klas heeft gewoon een luxeprobleem en die redt het toch wel. Helaas… vaak is het tegendeel waar. De wat zwakkere leerling gaat uiteindelijk toch wel dat beroep uitoefenen wat ze kunnen en willen. Ze weten wat het is om hard te moeten werken en dit helpt hun de nodige opleiding(en) te halen. Bij de hoogbegaafde leerling komt het jammer genoeg erg vaak voor dat ze wegens onderpresteren ergens belanden wat onder hun niveau is. Dit onderpresteren moet zo vroeg mogelijk in de onderwijsloopbaan worden voorkomen. Genoeg werk te doen dus op de basisschool. Gelukkig wordt er tegenwoordig al heel veel gedaan. De basisstof wordt gecompact (verminderd) en verrijkingsopdrachten komen in de plaats. Daarnaast zijn er natuurlijk nog de plusklassen maar ook fulltime onderwijs voor hoogbegaafde kinderen komt steeds vaker voor. Uiteraard zijn over dit laatste ook de meningen verdeeld als je kijkt naar de Wet passend onderwijs.
Toch blijven ouders klagen. ‘Er wordt te weinig aangeboden op school, mijn kind blijft zich vervelen, ze houden zich niet aan hun beloften, de leerkracht van vorig jaar deed het zo goed maar die van dit jaar….’ en ga zo maar door. Deze klaagmuur hoort het allemaal aan. Enigszins geïrriteerd, ‘kunnen we het gewoon over uw kind in de plusklas hebben? Daarvoor bent u tenslotte hier’. Ik ben ook erg teleurgesteld in de scholen. Al meerdere keren heb ik advies en goede voorbeelden gegeven en vooral ook toegelicht waarom het zo belangrijk is voor deze kinderen om ze uit te dagen. Toch blijft het echt leerkrachtafhankelijk. De ene leerkracht pakt het hartstikke goed op en haalt alles uit de kast. De ander weet niet hoe het moet, wil het ook niet weten en gaat weer lekker verder met het geven van klassikale lessen en het remediëren van de minder begaafde leerling.
Als ik na de oudergesprekken vermoeid thuiskom, besef ik dat hoewel we aardig op weg zijn, we toch nog echt een lange weg voor ons hebben als het gaat om onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen.

Columnist: Liesbeth van Damme – Specialist hoogbegaafdheid – Leerkracht bovenschoolse plusklas – Liesbethvdamme@hotmail.com –@LiesbethvDamme – 6 jaar ervaring met de plusklas – is zelf niet hoogbegaafd

Column: Communiceren als een oplichter

Willem Wind
Uw gastheer: Willem Wind

Als hoogbegaafde en bij weinig activiteit om me heen, merk ik dat mijn communicatie graag zo precies mogelijk uitvoer. Met veel bijzinnen, bijvoeglijke naamwoorden en gebruik van woorden die dan meer de perfectie benaderen die ik graag heb in mijn communicatie. Indachtig natuurlijk het kinderspel van de kring waarin een boodschap rond gefluisterd wordt, weet ik dat communicatie slijt in al de stappen die het moet doen om bij de ander in het hoofd te geraken. De eerste en tweede stap heb ik onder controle, mijn verwoording van mijn gedachten en beelden en hoe ik die in samenspraak met mijn lichaam, (80% is lichaamstaal) ten gehore breng. Hier vergeet ik even de context van omstandigheden, de situatie en mijn gehoor(welke gemoedstoestand en bv. kennisniveau hebben die?) waar ik natuurlijk ook enige controle over heb. Neem ik dit allemaal mee dan is de boodschap, zoals ik vaak merk, alleen nog duidelijk voor wie me kent en voor wie de snelheid heeft om de nuances daar te plaatsen waar ik ze bedoel. Of in ieder geval de nuances zien als wat ze zijn.

Mijn conclusie is dan ook dat ik het beste communiceer als ik het druk heb, erg druk en als ik er dan ook (een beetje of om mijn part artificieel) bij hoor en het voor mijn basisbehoeftes, dit is meer dan eten en drinken en onderdak hebben, niets uitmaakt of de boodschap zo overkomt als ik die in mijn hoofd heb. Dat soort tijden zijn er niet veel. Het komt voor, meer omdat ik al lang leef en dan heb je dat, waardoor ik deze conclusie wel kan trekken. Een truc hiervoor is natuurlijk geforceerd druk zijn. Ik zie het anderen doen en soms doe ik het zelf maar meestal wint de schaamte.

Meestal is communiceren een te trage bezigheid. Of je struikelt over de woorden en bijzinnen en andere zaken die ook in dat geval benoemd moeten worden, dat het je ook eigenlijk wel verwondert als ze je nog volgen kunnen. Die verwondering trof ik bij Mensa en soortgelijke groepen vaak aan. Soms zelfs in de vorm van nog een tandje hoger om te zien of het echt is en waar dat heen leidt. Spannend! Maar verwondering is niet slijtvast. Het vermindert in logaritmisch tempo en wat overblijft is de zoektocht. De hoop die als laatste overlijdt.

Bovenstaande en wat er bij hoort en niet gecommuniceerd is vanwege tekst en afkeer van lange lappen tekst, leidde mij tot een interessant inzicht. Hiervoor moet de lezer zich even uit het zelf halen en het bovenstaande ervaren als toehoorder. Als ‘slachtoffer’ van deze communicatie. En dan lijkt en komt het al snel over als de communicatie van een oplichter, een manipulator. Iemand die je succes voorspiegelt als je doet wat hij zegt. Een goochelaar die met woord en fysiek je op het verkeerde been zet, een volksmenner die je er bij gaat lappen. Dan komt je boodschap pas over als men je vertrouwt.

Spagaat! Manipuleren vind ik dom en te zielig voor woorden. Vooral omdat, als ik ergens instink, ik mij vooral erger aan mijn eigen domheid, veel meer dan aan het gedrag van die ander. Het is alsof je even dom bent en dat mag wel als het ook zo is maar in zulke gevallen is het op het verkeerde been zetten en dan ook nog expres en voor de lol. Dat is ergerlijk want je bent niet dom. Hierdoor lijkt het overigens op autisme als je even een paar denkstapjes neemt..

Een oplossing weet ik niet, er is wel een leuk bijeffect van een spagaat, de verwondering slijt minder hard. Soms wordt dat alleen maar groter. Per definitie maakt een spagaat het geheel onoverzichtelijk en moet je, zelfs als hoogbegaafde, je hoofd draaien om of het één of het ander te zien. Misschien zit daar wel de charme van mijn streven naar perfecte communicatie, het houdt de verwondering uiteindelijk gaande en het maakt dat de hoop blijft leven.

Willem Wind

Verhalen uit een plusklas: de bananenschil

Liesbeth van Damme
Liesbeth van Damme

‘Juf, wat moet ik met mijn bananenschil?’
Wanneer een leerling tijdens het fruit eten naar me toe loopt, een bananenschil omhoog houdt en me vraagt ‘wat moet ik hiermee doen?’, vraag ik mezelf toch echt wel eens af hoe het kan dat sommige leerlingen in een plusklas terecht zijn gekomen. Tegen beter weten in, want ik weet ze nemen ALLES letterlijk, zeg ik dat misschien zijn broekzak een mooi plekje is. Ik loop weg om een discussie tussen twee andere leerlingen over wat belangrijker is, je hersenen of je hart, te volgen. Toch kan ik het niet laten nog even om te kijken en wanneer hij het laatste stukje banaan in zijn broekzak propt, moet ik lachen. Inmiddels werk ik 6 jaar met hoogbegaafde kinderen en denk ik alles gezien te hebben maar nee hoor, iedere keer weer word ik weer verrast.
De kinderen zitten in groep 4-5-6 van de basisschool en komen één ochtend in de week in mijn plusklas om ontwikkelingsgelijken (peers) te ontmoeten en uitdagende opdrachten en activiteiten aan te gaan. Afgelopen weken hebben we gewerkt aan het project ‘architectuur’. Vandaag zijn de presentaties waarbij de ouders en sommige leerkrachten aanwezig mogen zijn. En ook na 6 jaar ben ik nog steeds zenuwachtig. Ik heb geprobeerd alles uit de kast te halen om op zoveel mogelijk manieren de kinderen van alles bij te brengen over architectuur. Alle afleveringen van ‘Het Klokhuis bouwt’ met ze gekeken, de bieb leeggeroofd en zelfs een echte architect over de vloer. De kids hebben op hun manier een deelonderwerp verwerkt tot een presentatie. Ik was hartstikke enthousiast, tot vorige week…. Toen lieten de kinderen tijdens een oefenpresentatie aan mij en elkaar zien wat ze hadden gemaakt. Oh jee, is dit wat ze de afgelopen tijd hebben gedaan? En dat gaan ze volgende week aan de ouders presenteren? Waar ben ik al die tijd geweest? Na een stormloop van kritische woorden, verbeterpunten, tips en gelukkig ook nog een aantal tops zegt één van de leerlingen tegen mij: ‘maar juf, we hebben toch nog een hele week?’ En dan weet ik het weer. Voorgaande presentaties is het ook altijd goed gekomen. Plannen kunnen deze kinderen niet. Wanneer het er echt op aankomt zetten ze iets fantastisch in elkaar.
Na het fruit eten, geven mijn leerlingen als geboren sprekers, alsof ze wekelijks voor honderd mensen staan, stuk voor stuk prachtige presentaties. En als de jongen waarbij het stukje bananenschil nog uit zijn broekzak hangt aan de beurt is, denk ik ja hoor… ik ben wéér verrast.

Columnist: Liesbeth van Damme – Specialist hoogbegaafdheid – Leerkracht bovenschoolse plusklas – Liesbethvdamme@hotmail.com – @LiesbethvDamme – 6 jaar ervaring met de plusklas – is zelf niet hoogbegaafd

Column van Tonko, 8/8

143. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (VIII – Slot), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID), FILOSOFISCHE SERIE DENKEN DOORZIEN (NRT), EINSTEINS RELATIVITEIT VAN TIJD, LEUK GEVARIEERD WERK (?), HOOGBEGAAFDHEIDSTRATEGIEËN IN WERK: Yes, ik ga het weer redden!
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

De relativiteit van tijd
In een aflevering van de filosofische televisieserie van de NRT “Denken Doorzien” over het onderwerp tijd vertelt een Zweedse sociaal filosoof dat een personage Dunbar uit de absurdistische debuutroman “Catch 22” uit 1961 van de Amerikaanse schrijver Joseph Heller zijn leven probeert te “verlengen” door een zo saai mogelijk leven te leiden. De reden dat Dunbar ervoor kiest om zich de hele dag te vervelen door niks anders te doen dan op zijn bed te liggen niksen, komt voort uit zijn overtuiging dat zodra hij iets zinnigs zou doen de tijd zou vliegen en hij dus “minder tijd” zou over hebben om te leven. Tijd is relatief.
Wie ook zoiets wil ervaren mét een baan, raad ik aan om callcentermedewerker te worden. Tenminste voor mij werkte het. Dat tijd relatief is, wist ik natuurlijk al lang dankzij Albert Einstein die dat ook een keer op een mooie en simpele manier uitlegde: “Als je naast een knappe vrouw zit, lijken twee uur twee minuten. Maar als je op roodgloeiende kolen zit, lijken twee minuten twee uur. Dát is relativiteit.”
Als je werk doet dat je stompzinnig en zinloos vindt en vreselijk haat, gaat de tijd teeeergend langzaam en begin je je af te vragen of het even zitten op roodgloeiende kolen niet een welkome afwisseling zou zijn. Elke shift begon ik met het invullen van mijn werkbriefje gevolgd door het op mijn foutmeldingsbriefje tekenen van dertien vakjes die alle stonden voor één kwartier (zie foto). Door dit heel rustig te doen, startte ik meestal een paar minuten na de rest wat al meegenomen was. Elk kwartier keek ik ernaar uit dat ik weer een vakje mocht doorkrassen. Om het krassen iets meer te stimuleren en de tijd voor mijn gevoel ietsje sneller te laten gaan, deelde ik dat kwartier op een gegeven moment zelfs in drieën in: 14.00-14.05, 14.05-14.10 en 14.10-14.15 of in tweeën: 14.00-14.08 (afgerond) en 14.08-14.15. Regelmatig keek ik op de klok op de telefoon om te kijken of er weer een minuut was voorbijgegaan, waarbij het me op een gegeven moment opviel dat niet elke seconde van de klok even snel doortikte. Vaak sprong ie bij seconde 53 opeens heel snel over naar seconde 54 alsof ie nog even moest compenseren dat de seconden die aftikten net iets langzamer gingen dan een seconde hoort te gaan en de klok dus eigenlijk geijkt diende te worden.
Om iets aan tijd te winnen, besloot ik altijd twee keer per shift naar de wc te gaan: om 14.30 en om 16.30. Ongeacht of ik moest plassen of niet, maar je wilt een paar minuten tijdwinst of je wilt het niet. Al moet ik wel zeggen dat ik me nogal onbenullig en eenzaam voelde om in de wc alleen maar voor me uit te staren naar de witte tegeltjes en me steeds twee dingen af te vragen: 1. Wat is de zin van het, of iets specifieker, mijn leven? en 2. Zijn er al een paar minuten verstreken? Elke keer als ik even na half vijf de wc weer verliet, bekroop mij hetzelfde opgeluchte gevoel: yes, ik ga het wéér redden. Om even later hard wegfietsend richting de vrijheid en meer zinvolle tijdsbesteding al snel te bedenken van shit, voordat ik het weet, is het alweer morgen en zit ik hier weer.

Gevarieerd werk?
Gedurende de korte pauzes van een kwartier deed ik in het begin nog aandoenlijke doch vergeefse pogingen om lotgenoten te vinden die het werk net zo haatten als ik. De eerste keer dat ik dat deed, begon ik iets te optimistisch met de vraag: “Ben je hier ook terechtgekomen door de omstandigheden (lees: crisis)?” Een in mijn ogen retorische en dus overbodige vraag. Maar de man aan wie ik het vroeg gaf een ander antwoord dan ik had verwacht, want hij vertelde mij dat hij dit niet deed voor het geld maar puur voor de lol. Na eerst gecheckt te hebben of ik wel goed hoorde wat hij net zei, dacht ik meteen van oké, jou moet ik dus niet hebben en liet het gesprek voor wat het was.
Hoe meer mensen ik benaderde, hoe eenzamer ik me echter begon te voelen. Er bleken tot mijn grote verbazing wel degelijk mensen te bestaan die dit werk niet alleen acceptabel vonden, maar soms zelfs leuk. Deze mensen spraken over afwisselende projecten met leuke, gevarieerde gesprekken terwijl ik mij alleen maar afvroeg of wij het wel over hetzelfde werk hadden. Nou heb ik wel vaker bij mensen die gevraagd naar de leukste kant van hun baan meteen roepen dat het zo gevarieerd werk is, dat ik mij afvraag of zij een andere definitie geven aan het woord “variatie” dan ik. Maar zo sterk als bij dit werk heb ik dat gevoel nooit eerder gehad.
Als we het met z’n allen erover eens zijn dat “variatie” in het werk inhoudt dat je niet steeds dezelfde handelingen verricht en niet steeds hetzelfde zegt maar dat dat juist varieert, dan kan niemand met gezond verstand de stelling verdedigen dat callcenterwerk gevarieerd werk is. Integendeel, want volgens mij zou dit werk met gemak kunnen worden geschaard onder de tien minst gevarieerde banen in Nederland. De mensen die desalniettemin blijven volhouden dat ze dit leuk en gevarieerd werk vinden, zou ik willen adviseren om er gewoon voor uit te komen en te accepteren dat ze blijkbaar houden van saai (sorry, subjectief) en weinig afwisselend (objectief) werk. Waar helemaal niks mis mee is, maar schep dan alsjeblieft geen verwarring voor anderen door het woord “gevarieerd” (verkeerd) te gebruiken.
Als het werk nou zou zijn afgewisseld met periodes waarin ik op roodgloeiende kolen mocht gaan zitten en (vooral!) met momenten waarop ik even met een aantrekkelijke vrouw zou mogen praten dan had ik de term gevarieerd nog wel enigszins op zijn plaats gevonden. Maar dan nog zou die vrouw wel verdomd aantrekkelijk moeten zijn (én mij ook zo zien) alvorens ik het werk als “leuk” zou gaan bestempelen.

 

De relativiteit van tijd. Mijn laatste shift: Yes, ik ga het weer redden! (foto: Tonko)

(slot en conclusie)

Hoogbegaafdheid en de vijf strategieën
Ik las ergens dat hoogbegaafden vijf strategieën hebben om hun hoogbegaafdheid een plaats in hun leven en loopbaan te geven. Nou ja strategie, dit gebeurt misschien wel meer onbewust dan bewust, bijvoorbeeld vanwege het simpele feit dat iemand niet op de hoogte is van zijn hoogbegaafdheid.
In de eerste strategie beweegt de hoogbegaafde zich onopvallend door het leven en houdt zich gedeisd. Dit wordt veel gedaan door mensen die niet weten dat ze hoogbegaafd zijn en die zichzelf soms juist vrij dom vinden. In de tweede strategie weet de hoogbegaafde dat hij heel slim is, heeft dat ook geaccepteerd en gaat om met gelijkgestemden waardoor hij gestimuleerd wordt en zich goed ontwikkelt. In de derde strategie is de hoogbegaafde door schade en schande wijs geworden en heeft geleerd dat je alleen met intelligentie niets bereikt. Hij heeft zich sociaal ontwikkeld tot een hoog niveau waardoor hij zich uiteindelijk prima redt. De vierde is confronterend bezig en beweegt zich van conflict naar conflict en van ontslag naar ontslag met een loopbaan van twaalf ambachten en dertien ongelukken. De confronterende hoogbegaafde kan doorgroeien naar sociaal of juist terugvallen naar de laatste “strategie”: isolement. Hierbij trekt de hoogbegaafde zich helemaal terug en loopt hij gevaar het contact met de samenleving te verliezen.

Altijd jezelf blijven
Kijkend naar mijn leven en “carrière” herken ik dit proces. In het begin probeerde ik een beetje mee te hobbelen met de flow, maar kwam ik er op de middelbare school al snel achter dat dat weinig zin had. Om wat voor reden dan ook was ik blijkbaar anders en vond ik, of ik wilde of niet, toch geen aansluiting. Ik kan me hier ook nog een goed en symbolisch voorbeeld van herinneren. Op schoolkamp hadden we een keer een disco en samen met de enige vriend die ik in de klas had, zaten we te dubben of we eraan mee zouden doen of niet. Zo’n disco was niets voor ons en uiteindelijk namen we het best wel stoere besluit om geen toneel te gaan spelen en niet te doen alsof we dat leuk vonden. We zonderden ons af in de kamer ernaast om een potje te gaan schaken. Als een stelletje echte nerds.
Ook in mijn werk heb ik altijd geprobeerd om mee te hobbelen. Meer onbewust dan bewust kwam ik er langzaam maar zeker achter dat hoe meer ik voor mijn gevoel mezelf was, hoe slechter het voor me uitpakte. Vooral omdat ik in de communicatie tactisch nogal zwak blijk te zijn. Wat tot gevolg heeft dat als ik iets kritisch wil overbrengen, ik dat vaak te tactloos en te direct doe waardoor mensen geneigd zijn bij mij te denken van: ook al heeft hij gelijk, van mij zal hij het niet krijgen.
Toen mijn tactloze gedrag een paar keer tot ontslag leidde en mijn vrouw daar een beetje moe van werd, beloofde ik haar dat ik me bij de volgende baan keurig zou gaan inhouden. En zo geschiedde. Ik hield mijn mond en ging braaf met de flow mee en werkte er vervolgens negen jaar, een record voor mij. Dat ik ook daar uiteindelijk ontslagen werd, kwam omdat ik in de tussentijd een scheiding meemaakte en ik er door mijn zoon was achter gekomen dat ik slimmer was dan ik altijd dacht en ik als emotionele reactie hierop besloot om toch weer een beetje los te gaan komen. Wat na al die jaren van frustratie waarin ik me steeds heel braaf had ingehouden, ook wel weer een keertje mocht vond ik. Maar wat echter helaas natuurlijk wel weer leidde tot mijn onvermijdelijke ontslag.
Dat confronterende hoogbegaafden het risico lopen om af te zakken naar een isolement in plaats van door te groeien naar een sociale hoogbegaafde kan ik goed begrijpen. Voor mijn gevoel ben ik decennia lang mezelf niet geweest, heb ik me als een gek uit onzekerheid, onwetendheid of wat dan ook lopen inhouden waardoor ik op dit moment weinig tot geen behoefte voel om mij sociaal te gaan aanpassen. Sterker, dat is wel het laatste wat ik nu wil.
Dit komt ook voort uit mijn overtuiging dat mijn problemen zijn ontstaan doordat ik in mijn leven juist steeds tussen aanpassen en confronteren heb gemanoeuvreerd. Waarbij het een feit is dat ik mij veel meer heb aangepast dan dat ik heb geconfronteerd. En dát zie ik juist als de oorzaak van veel ellende. Als ik gewoon meer mezelf had durven zijn, had dat weliswaar tot nog meer conflicten geleid maar had ik ook zeker meer respect en waardering en kansen afgedwongen. Daarom is een van mijn levenslessen aan mijn kinderen om altijd van je eigen kracht uit te gaan en daarbij altijd jezelf te blijven.

Conclusie
Wanneer ik met mijn huidige kennis van hoogbegaafdheid met bijbehorende karaktereigenschappen en problemen zo objectief en afstandelijk mogelijk naar mijn eigen leven kijk en zie hoe alles is verlopen (zie vorige columns), kan ik moeilijk om de conclusie heen dat hoogbegaafdheid een rol heeft gespeeld. Wie (mij kent en) een andere, goed onderbouwde, verklaring of diagnose heeft, mag het mij zeggen. Vooral op sociaal vlak en in het werk ben ik keer op keer vastgelopen en zie ik een steeds terugkerend patroon waar ik echt niet meer omheen kan.
Wanneer ik iemand zoals mezelf zou moeten coachen, zou ik hem zeggen om onmiddellijk te kappen met deze onzin. Als meegaan met de flow niet jouw ding is, moet je niet uit onzekerheid of uit faalangst of wat dan ook er steeds maar – tegen beter weten in – mee doorgaan. Accepteer dat het je nergens brengt, stop er vandaag nog mee en ga het ook nooit meer proberen. Sluit die deur voorgoed. Stap van het reguliere pad af en sla een andere weg in. Ga dingen doen die echt bij je passen en die je echt leuk vindt. Zoek geen “normaal” baantje maar begin een eigen bedrijfje en zie maar waar het schip strandt. Wat heb je te verliezen?
Ja, een ander coachen is één ding, maar jezelf coachen is hele andere koek. Iets waar menig psycholoog, psychiater, hoogbegaafdencoach het ongetwijfeld mee eens zal zijn…

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Column van TonKo, 7/8

142. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (VII), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID), TELEMARKETING / CALLCENTERS, DEFINITIE VERKOOP, LIEGEN EN OVERDRIJVEN, DE GUNFACTOR, INLEVEN, ROL VAN TOEVAL: God, wat verrassend; hoe zou dat nou komen?
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Het begrip verkopen
Omdat alle nadelen gelukkig ook hun voordelen hebben, bracht het callcenterwerk wel tot stand dat het me aan het denken zette over het onderwerp verkopen en wat dat precies inhoudt. Ik weet van mezelf dat ik absoluut geen commercieel type ben en dus allesbehalve een verkoper, maar dan nog heb je verkopen en verkopen.
Bij het eerste soort verkoopt de verkoper in een winkel producten waar klanten op afkomen die er interesse in hebben. Iets waar ik geen enkel bezwaar tegen heb. Dit echter in tegenstelling tot het tweede soort verkopen waarbij de kopers niet naar de verkoper toe komen maar de verkoper zich ongevraagd bij hen meldt, op straat, huis-aan-huis of telefonisch. Dat noem ik zeer onbeleefd en doet bovendien inbreuk op iemands privacy. Als ik interesse heb in een product, kom ik wel naar de verkoper toe en niet andersom.
Bij het laatstgenoemde soort zal de verkoper heel soms mensen vinden die geen bezwaar hebben tegen zijn toenadering en die zelfs wel interesse tonen in het kopen van een product. Maar het overgrote deel heeft dat niet en zal de verkoper beschouwen als een noodzakelijk (?) kwaad.
Toch komt het af en toe voor dat iemand in eerste instantie denkt van dat wil ik helemaal niet, maar dat de verkoper daarna op zo’n manier aandringt dat hij uiteindelijk het product toch besluit te kopen. Ik vermoed dat als je deze koper later gaat vragen of hij blij is met de koop de kans groot is dat hij ja zal zeggen.
Interessante vraag hierbij of hij dat zegt omdat het echt zo is of omdat er iets anders speelt. Bijvoorbeeld dat hij eigenlijk niet wil toegeven dat hij niet blij is dat hij zich zo simpel heeft laten overhalen tot een koop van iets wat hij niet wilde hebben, maar dat hij inmiddels voor zichzelf redenen heeft bedacht waarom het eigenlijk toch wel beter is dat hij het product heeft gekocht.
Ik ben ervan overtuigd dat het succes van de topverkopers voortkomt uit dit proces, beter bekend als de cognitieve dissonantiereductie. Binnenhalen van klanten die eigenlijk helemaal niets willen kopen; het is een kwaliteit, maar wel eentje waar ik niet rouwig om ben dat ik ‘m niet bezit.
Dit opschrijvende besef ik dat mijn bespiegelingen over het begrip “verkopen” weliswaar leuk zijn bedacht, maar dat het niets nieuws zal zijn en er ongetwijfeld al boeken vol over zullen zijn geschreven. Die ik overigens niet lees, omdat het mijn interessegebied niet is.

Liegen
Een van de lessen die ik van dit werk heb geleerd, is dat als ik ooit nog eens gedwongen word om een baan te nemen waarin ik iets zal moeten gaan verkopen, ik dat alleen doe op de eerst genoemde manier: in een winkel. Maar het liefst werk ik helemaal nooit meer in de commerciële branche. Een branche die drijft op liegen, bedriegen, slijmen en overdrijven, is gewoon niet mijn ding.
Neem alleen al zo’n eerste zin van een callcentermedewerker: “Goedemiddag u spreekt met Hans van Dalen van de Volkskrant, wat fijn dat ik u tref, ik heb iets fantastisch voor u en ik vraag mij of ik dat heel kort aan u kan voorleggen. In de eerste tien woorden staan al twee leugens: 1. Je naam is niet Hans van Dalen en 2. Je bent niet van de Volkskrant maar van een callcenter. Dat je het fijn vindt dat je de persoon treft (een zin die ik weigerde uit te spreken), waag ik ook te betwijfelen. Voor mij gold dat in elk geval niet. Dat je iets “fantastisch” hebt (heb ik ook nooit uit mijn strot gekregen), is aan de persoon aan de andere kant om te beoordelen en is sowieso schromelijk overdreven aangezien er meestal wel betere aanbiedingen zijn te vinden als je verder zoekt.
Met die eerste leugen was ik overigens wel heel blij, want ik zou nooit onder mijn eigen naam willen bellen. Als ik bijvoorbeeld iemand moest bellen die in mijn buurt woonde of die ik theoretisch zou kunnen kennen, sloeg ik die over en klikte ik snel door naar de volgende. Puur uit schaamte. Schattig dat sommige mensen aan me vroegen met wie ze gesproken hadden maar daarbij helaas niet beseften dat ze me daarmee enkel vroegen om mijn leugen te herhalen. Ik had de neiging om te zeggen “met Hans van Dalen, nummer dertien”.

Inleven
Grappig was toen de coach met mij het “slecht nieuws” gesprek voerde, ik te horen kreeg dat het er niet aan lag dat ik niet beleefd was geweest (ik ben denk ik het meest beleefd van iedereen) of dat ik me niet goed genoeg aan mijn script hield. “Maar je moet dit werk echt leuk vinden en dat ook uitstralen in de gesprekken waardoor mensen die eigenlijk niets willen kopen toch toehappen vanuit de ‘gunfactor’ omdat ze je zo aardig vinden overkomen.” En “op de een of andere manier” miste hij dat een beetje bij mij.
God, wat verrassend; hoe zou dat nou komen dacht ik alleen maar gelaten. Ook had ik me misschien wat beter kunnen inleven in de klanten zodat er een leuk gesprek was ontstaan en er mogelijkheden waren gecreëerd.
Ik had gerust met de coach in discussie kunnen gaan. Bijvoorbeeld over mijn standpunt dat een goede verkoper iemand is die producten verkoopt aan mensen die dat product echt willen hebben en er blij mee zijn in plaats van dat ze het niet willen hebben maar het toch kopen omdat ze je zo aardig vinden overkomen. De klanten hoeven mij niet de verkoop te gunnen, ik moet de klanten gewoon de aankoop van het product gunnen. Het is maar voor welke benadering je kiest.
Of over het feit dat als hij mijn gesprekken had beluisterd hij had kunnen constateren dat ik me juist teveel inleef in mensen om dit soort werk goed te kunnen doen. Je kunt veel van me zeggen, maar inmiddels weet ik maar al te goed dat ik aan empathisch vermogen echt geen gebrek heb. Integendeel (zie column 140). Twijfelende oude vrouwtjes die duidelijk moeite hadden om nee te zeggen, heb ik heel bewust niet overgehaald iets te kopen, omdat ik wel merkte dat ze het helemaal niet wilden. Op momenten dat ik voelde dat iemand niet gediend was van mijn telefoontje (en dat was vaak), heb ik nergens aangedrongen. Terwijl een ander die persoon wellicht wel had “binnengehaald” door net zolang door te gaan totdat hij zou zwichten “om er maar vanaf te zijn”. Ik kan mezelf recht in de spiegel aankijken door het besef dat ik alleen maar producten heb verkocht aan mensen die het echt wilden.
Wie in deze branche beweert dat de beste verkopers het meeste inlevingsvermogen bezitten, hebben geen flauw benul van wat deze term precies inhoudt. Met een tekort aan inlevingsvermogen en een keiharde mentaliteit haal je meer klanten binnen (namelijk degenen die het product eigenlijk helemaal niet willen hebben) dan als je écht empathisch bent. Zo simpel is het.
Ook had ik nog kunnen gaan discussiëren over het gegeven dat ik weliswaar vaker dan anderen nullen scoorde bij projecten waar tijdens elke shift door de medewerkers nullen werden gehaald, maar dat dat ook simpelweg te maken zou kunnen hebben met de factor toeval. Want het verschil tussen het “binnenhalen” van nul of één klant hangt volgens mij vooral af van de factor geluk/pech, dit in tegenstelling tot het verschil tussen nul en vijf klanten.
Het is net als dat je tien mensen tien keer kop of munt laat gooien. Daar waar de meeste wisselend kop en munt zullen gooien, kan er ook altijd iemand tussen zitten die een reeks van zeven of acht of zelfs tien keer hetzelfde gooit. Iedereen in het callcenterwereldje met een gezond verstand weet dat de factor geluk daar een hele grote rol speelt. In de grote vijver van potentiële klanten die gebeld worden, zitten er gemiddeld van de honderd altijd wel een paar tussen die ja gaan zeggen. Dus kan het zomaar zijn dat de ene callcentermedewerker er daar toevallig drie van “uitvist” terwijl de ander het zonder vangst moet doen. Pure kansberekening, niets meer en niets minder.
Maar heel wijs ging ik niet in discussie. Ik wist maar al te goed dat dat geen zin had, dat ik mijn gelijk niet zou halen en dat ik dat bovendien ook helemaal niet wilde omdat het me allemaal niets uitmaakte. Daarbij was er op één essentieel punt sowieso geen enkele discussie mogelijk: ik ben totaal ongeschikt voor dit werk en kan inderdaad beter vervangen worden door iemand die dit wel leuk werk vindt en die dat ook uitstraalt door de mensen vrolijk en spontaan te benaderen. Waardoor de klanten deze vervanger wel de verkoop gaan gunnen.
Ik vind alles best, zo lang als ze mij maar niet bellen. Aan de lijn zal ik callcenters sowieso nooit meer krijgen, want vanaf het moment dat ik met dit werk begon, neem ik principieel geen telefoontjes meer aan met een anoniem nummer. Als het echt belangrijk is, spreekt men maar in op mijn voicemail.

Het “slechte” nieuws bleek gelukkig helemaal niet zo slecht te zijn: zo ongelofelijk opgelucht als ik me voelde toen ik weer naar huis fietste, heb ik mij zelden gevoeld…

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Column van TonKo, 6/8

141. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (VI), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID), TELEMARKETING / CALLCENTERS, AFWIJZINGEN, WERK DAT INDRUIST TEGEN PRINCIPES: Jezus, baal jij nou niet ontzettend van je werk?
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Ontslag
De directe aanleiding om over hoogbegaafdheid te schrijven, komt voort uit mijn frustratie over het feit dat ik twee weken geleden voor de zoveelste keer ontslagen ben. De telling houd ik niet meer bij. Ik weet wel dat ik altijd twee soorten banen heb gehad: het soort dat sowieso van tijdelijke aard was (uitzendwerk) en het soort dat expliciet voor mij van tijdelijke aard bleek te zijn omdat ze mij vroeg of laat blijkbaar te lastig en te kritisch vonden.
Al was dit gelukkig de eerste “baan” waarvoor ik gewoon gewipt ben omdat ik veel te slecht was. Voor solliciteren heb ik een vergelijkbare statistiek: overal waar ik gewerkt heb, hadden ze snel iemand nodig en was ik de eerste die langs kwam en overal waar ze in de sollicitatieprocedure de keus hadden tussen meerdere kandidaten, werd ik het nooit. Ik kom “blijkbaar” niet goed over bij mensen. Ze vinden me eigenwijs of, zoals ik bij mijn laatste sollicitatiegesprek te horen kreeg, nogal uitgesproken en stellig. En dat stoot mensen af.
Ik ben 48 jaar en ik ben er niet bepaald trots op om eerlijk toe te geven dat ik nog nooit één seconde van mijn leven plezier heb beleefd aan een baan. Ik schaam me daarvoor omdat dat betekent dat ik om welke reden dan ook hele verkeerde (of geen) keuzes in mijn leven heb gemaakt. Ik en niemand anders is tenslotte verantwoordelijk voor mijn leven. Al heb ik nog wel iets van een excuus dat een ongelofelijk gebrek aan zelfkennis en een soort van minderwaardigheidscomplex hier geen onbelangrijke rollen in hebben gespeeld (zie vorige columns 135, 136, 137, 138 en 140). Gelukkig heb ik bij een paar banen nog wel leuke collega’s gehad, wat het een en ander compenseerde en dragelijk maakte. Maar het werk zelf heb ik nog nooit op wat voor manier dan ook bevredigend gevonden.

Geen reden tot klagen
Niet dat ik mezelf nu overigens als een zielig slachtoffer wil presenteren, want ik besef als geen ander dat als ik mezelf afzet tegen de rest van de wereldbevolking ik geen enkele reden tot klagen heb. Dan behoor ik statistisch gewoon bij de 5% die het het best heeft. Ik weet niet hoeveel procent van de mensheid werk doet dat hij echt leuk en bevredigend vindt, maar ik vermoed dat we zouden schrikken van het extreem lage percentage. Voor hetzelfde geld, of beter gezegd voor heel veel minder geld, had ik op dit moment ook gewoon zestig uur per week in een riool in India kunnen werken.

Callcentermedewerker of senior telemarketeer (?)
Mijn absolute dieptepunt in mijn arbeidsleven – tenminste naar ik hoop – bereikte ik met mijn laatste, door de (of beter gezegd: mijn) crisis gedwongen “carrièremove”. Nou ja carrière; welke carrière?
Functie: callcentermedewerker. Locatie: bij een Telemarketingbedrijf bij de Oude Houthaven aan het IJ in Amsterdam. Of zoals dit bedrijf het liever zelf noemt: senior marketeer (junior marketeers heb ik er overigens nooit gezien…). Want ook zij beheersen de kunst van het geven van interessante, eufemistische en vaak Engelse namen aan iets minder interessante functies. Wie kent ze niet: de floormanagers, de sales promotors, de supervisors, de accountmanagers enzovoort. Ongetwijfeld ook allemaal mensen met de juiste “hands-on”(?) mentaliteit. Ze zijn proactief, flexibel, dynamisch, resultaatgericht, innovatief en denken uiteraard allemaal Out-of-the-box. Mag ik alsjeblieft een teiltje?
Toen ik te horen kreeg dat mijn scores te slecht waren en dat het toch een commercieel bedrijf was dat winst moest maken en ze voor mij zo een ander hadden, had ik een piepklein momentje een beetje gemengde gevoelens. Dat gemengde zat ‘m vooral in mijn gevoel van: daar gaan we weer. Opnieuw weer zonder werk en opnieuw weer die toenemende financiële druk en problemen.
Maar voor de rest moet ik bekennen dat vooral de enorme opluchting overheerste. In mijn omgeving had ik de laatste tijd al losgelaten dat ik hoopte dat ik hier zou worden ontslagen omdat ik me pas écht zorgen zou gaan maken als ik overal blijk te worden ontslagen behalve voor dit soort werk. Dat zou pas kwetsend zijn.
Ik ben wel de eerste om toe te geven niet geschikt te zijn voor commerciële functies zoals die van “senior marketeer”. Poeh, wat haatte ik dat vreselijk stompzinnige werk uit de grond van mijn hart. Als ik op mijn 48e erachter zou zijn gekomen dat deze functie mijn roeping was, was ik heel snel een krukje en een stevig stuk touw gaan zoeken. Om die reden kon ik er ook prima mee leven dat dit de eerste keer was dat ik werd ontslagen omdat ik slecht functioneerde in plaats van dat ze me gewoon te lastig vonden. Wat overigens ook had ook gekund, ware het niet dat ik me er keurig heb ingehouden.

Afgewezen
Aan de andere kant kan ook ik er niet omheen dat afgewezen worden nooit leuk is en ook nooit zal wennen. Ironisch ook trouwens dat ik ben afgewezen voor werk waarin vrijwel alles draait om afwijzingen.
Eigenlijk is callcentermedewerker wel het stomste werk wat je kunt doen (let op, de zin gaat nog door) als je zoals ik toch wat extra gevoelig bent voor afwijzingen. Meer dan negentig procent van de mensen die je in zo’n functie belt (en meer dan 95% bij mij), zegt tenslotte “nee” en wijst je af en ik geef ze alle gelijk van de wereld.
Ik vermoed dat de psychologie ons leert dat het voor niemands zelfvertrouwen goed is om continu “nee” te horen, hoe logisch die afwijzingen ook mogen zijn. Zelfs als je honderd mensen moet bellen vanuit een bedrijf dat voor de Verenigde Staten elektrische stoelen maakt met als doel suïcidaal-achtige personen te vinden die bereid zijn te testen of dat ding echt doet waarvoor die bedoeld is, dan nog zul je teleurgesteld zijn als ze allemaal nee zeggen. Hoe begrijpelijk dat ook is. “Mevrouw, u klinkt echt doodongelukkig. Dit is uw kans om aan dat gevoel een eind te maken!”

Principes
Ik heb altijd een gruwelijke hekel gehad aan callcenters. Jaren geleden toen ik nog samen was met mijn vrouw werden we als gezin met jonge kinderen regelmatig tussen 18.00 en 19.00 tijdens spitsuur gebeld door callcenters. Gek werd ik ervan. “Jezus, baal jij nou niet ontzettend van je werk?”, vroeg ik een keer aan zo’n irritante callcenterkwal. Een retorische vraag leek mij, niet wetende dat ik op een dag ook zover gezonken zou zijn om de kwal aan de andere kant van de lijn te zijn. Na mijn scheiding verliet mijn ex-vrouw het huis en stond ze erop om het telefoonnummer mee te verhuizen naar haar nieuwe adres. Ik vond het een beetje vreemd verzoek, maar gaf toe en gelukkig maar. Na eenmaal een nieuw telefoonnummer te hebben gekregen, werd ik vrijwel nooit meer lastig gevallen door die irritante callcenters.
Toen ik jaren later na weer een ontslag uiteindelijk via het UWV gedwongen werd om naar een vreselijk callcenter in Almere te gaan, werden al mijn vooroordelen over callcenters meer dan bevestigd. Ik kreeg een instructie van een chagrijnige man die vertelde dat je veel oudere mensen aan de lijn kreeg die eigenlijk niet zaten te wachten op jouw telefoontje (quelle surprise) en dan was het een kwestie van je “gelikte verkooppraatje” houden om vervolgens alleen nog maar te gaan “pushen, pushen en nog eens pushen”. Ik moet de man meegeven dat hij er niet omheen lulde wat dit k..werk inhield.
Terug bij het UWV deed ik iets wat officieel niet mocht: ik weigerde deze baan omdat dit geheel tegen mijn principes inging. Een tijd later kwam ik een ex-collegaatje tegen van een bedrijf waar wij ooit samen waren ontslagen. Zij was net als ik een paar jaar terug opnieuw ontslagen en ook zij had een tijd lang zonder werk gezeten, maar inmiddels werkte ze sinds kort bij een callcenter dat volgens haar oké was en lang niet zo erg als daar in Almere. Je werd er niet gepusht en er zaten veel hoogopgeleide ZZP’ers met slechtlopende creatieve bedrijfjes die door de crisis gedwongen waren om dit soort werk aan te nemen.
Met lood in de schoenen besloot ook ik uit pure wanhoop en gedwongen door de omstandigheden me een jaar geleden te melden bij dit callcenter. Een officieel sollicitatiegesprek kreeg ik niet waardoor ik me helaas niet kon verschuilen achter de zoveelste afwijzing. Ik mocht meteen beginnen, jippie.
Na de eerste zeven proefshifts te hebben gedraaid, hadden ze al hun twijfels over mij. Maar na nog een paar extra proefshifts mocht ik tot mijn verbazing/teleurstelling toch blijven. Wel dacht ik toen al dat als ze ook maar een fractie van een seconde hadden beseft hoe vreselijk stompzinnig ik dit werk vond, ze mij nooit hadden aangenomen. Ik durf gerust te stellen dat ik de grootste callcenterhater ben geweest die ooit voet in dat gebouw heeft gezet. Blijkbaar was dit mijn beste prestatie in toneelspelen ooit, zeker als je weet dat ik nou niet bepaald bekend sta als iemand die goed kan toneelspelen. Daarvoor schijn ik non-verbaal veel te sterk te zijn…
Ondanks dat ik mijn ex-collegaatje wel gelijk moet geven dat dit callcenter waarschijnlijk de minst erge in haar soort is in Nederland ben ik er niet bepaald trots op dat ik een jaar lang werk heb gedaan wat indruist tegen al mijn principes en gevoelens. Ik heb er gewoon een hekel aan om mensen lastig te vallen die daar niet om gevraagd hebben.

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Column van TonKo, 5/8

140. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (V), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID), WORSTELEN MET JEZELF, SCHEIDING, EMPATHIE OF GEEN EMPATHIE, GESLOTEN OF OPEN, AUTIST OF GEEN AUTIST, STOORNIS OF GEEN STOORNIS: “Er is wel iets met jou aan de hand”
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Niet empathisch?
Jarenlang heb ik met name doordat mijn (ex) vrouw en haar moeder dat bij mij vermoedden, gedacht dat ik niet empathisch was en dus ook wellicht een of andere vorm van autisme had. Gebrek aan empathie is tenslotte dé overeenkomst tussen alle autistische varianten die er bestaan.
Maar in de loop der tijd ben ik daar toch eens goed over gaan nadenken. Stom dat ik dat trouwens nooit eerder deed, want zo ingewikkeld is dat natuurlijk niet: je definieert de term “empathisch”, je kijkt wat de kenmerken ervan zijn en je onderzoekt of en in hoeverre je die bij jezelf herkent.

Wel empathisch?
Hoe meer ik me in de term empathie ging verdiepen, hoe meer ik erachter kwam dat ik niet alleen kon concluderen dat ik wel degelijk empathie had, maar dat ik zelfs empathischer blijk te zijn dan een gemiddeld persoon.
Daarvoor kan ik inmiddels een aantal goede argumenten en voorbeelden aandragen. Afgezien nog van een paar simpele feitjes als dat ik bij empathietestjes op internet boven het gemiddelde scoor en een halfjaar geleden nog een vrouwelijke collega tegen mij zei dat ze mij zo’n empathisch persoon vond. Al kun je daar nog wel tegenin brengen dat ik toen werkte bij een zeer louche dakdekkerbedrijf waar zij mannelijke collega’s gewend was die je niet bepaald kunt rekenen tot het meest empathische soort op deze aarde.
Toen ik een kind was, had ik al medelijden met kinderen die werden gepest waardoor ik voor ze opkwam (zie ook columns 45 en 71 over pesten). Het als kind opkomen voor andere kinderen die gepest worden, is iets wat niet veel kinderen doen. Behalve dat dat kan duiden op een gebrek aan lef, kan het er ook mee te maken hebben dat veel van deze kinderen weinig/minder empathisch zijn en dus ook minder de behoefte zullen voelen om in te grijpen.
Zo lang als ik leef heb ik altijd iets met dieren gehad (met name met alle katachtigen) en ben ik dus ook met ze begaan. Ook al was ik nooit een grote vleeseter is het geen toeval dat ik al vanaf mijn twaalfde jaar vegetariër ben. Daar waar ik gek genoeg documentaires over de Holocaust zonder problemen kan zien (mede door gewenning), geldt dat niet voor documentaires over dierenleed waar ik soms echt niet naar kan kijken uit walging van wat ik zie. Wat mensen elkaar kunnen aandoen op deze wereld is al verschrikkelijk, maar wat mensen dieren kunnen aandoen vind ik nóg erger. Simpelweg omdat dieren veel kwetsbaarder zijn dan mensen. En zeker ten opzichte van datzelfde menselijk ras dat qua intelligentie (maar ook qua wreedheid) superieur is aan de dieren.
Als ik ergens werk – wat soms voorkomt – en er komt een nieuwe collega die mij aardig lijkt (als ik denk wat een eikel is het eerlijk gezegd een ander verhaal) dan doe ik altijd mijn best om zo iemand op zijn/haar gemak te stellen en ben ik heel behulpzaam. De reden hiervoor is dat ik als geen ander weet dat je je in zo’n situatie ongemakkelijk en onzeker kunt voelen en veel andere collega’s je gewoon laten zwemmen. Ook ben ik op mijn werk ooit aangesteld in de vrijwillige functie van vertrouwenspersoon. Weliswaar een halfjaar voordat ook zij mij ontsloegen, maar dat is een ander verhaal wat hier helemaal los van staat. Maar dan nog zou het opvallend zijn geweest als ze mij in zo’n functie hadden aangenomen als ze niet in mij enige vorm van empathie hadden bespeurd. Mag ik toch hopen.
Vroeger was ik altijd heel attent naar mensen om me heen. Waarschijnlijk ook gewoon uit de hele menselijke eigenschap om gezien, gewaardeerd en aardig gevonden te willen worden. Maar omdat ook ik een ego heb dat gekrenkt kan worden, is mijn attentheid in de loop der jaren steeds minder geworden omdat ik merkte dat ik tien keer attenter was naar anderen dan andersom en ik me toch heel kinderachtig begon af te vragen waarvoor ik het allemaal deed.
Zo vond ik het altijd leuk om als iemand jarig was me een beetje in die persoon te verdiepen om met een toepasselijk kaartje en/of cadeau te komen. Geven schijnt gelukkiger te maken dan nemen en dat geloof ik onmiddellijk. Als mijn vrouw jarig was, gaf ik haar bijvoorbeeld het nieuwste boek van Isabel Allende omdat ik wist dat ze dat vroeger altijd geweldige boeken vond. Of ik gaf haar dat ene geurtje waarvan ik wist dat ze daar erg van hield. Grappig is echter dat ze mij vaak op mijn verjaardag ook geurtjes gaf, terwijl ik daar helemaal niets mee heb. Ik begon aan mezelf te twijfelen en vroeg me af of ik nou zo’n saai mens was dat mijn vrouw blijkbaar niets anders wist te verzinnen dan een cadeau waar ik geen affiniteit mee had/heb. Nu ben ik gelukkig zover dat ik weet dat attentheid te maken heeft met inleven en dus met empathie.
Ook heb ik de eigenaardigheid dat als ik een televisieprogramma zie waarin mensen flink voor lul worden gezet, ik er niet naar kan kijken en wegzap. Er bekruipt mij dan kennelijk een soort van plaatsvervangend schaamtegevoel of zo. Ik moet dan echt tegen mezelf zeggen van tjee doe niet achterlijk, het overkomt jou toch niet! Bij andere televisieprogramma’s als bijvoorbeeld “Spoorloos” kan ik weer soms als een wijf snotteren als ik geraakt word (zie bijvoorbeeld column 79). Waar ik wel aan moet toevoegen dat dit iets is dat ik vroeger als volwassene nooit had, maar sinds het hebben van kinderen en vooral sinds mijn scheiding moet ik concluderen dat ik blijkbaar een emotioneler mens ben geworden.
Dat veel vrienden van me een HSP bleken te zijn en ik ook kenmerken van hoogsensitiviteit bleek te hebben, stelde ik al eerder vast (zie column 18). En als je dan weet dat HSP’ers veel empathischer zijn dan gemiddeld – en de meeste hoogbegaafden toevallig ook hoogsensitief zijn – en je ervan uit mag gaan dat het geen toeval is dat ik goed met HSP’ers klik, lijkt de conclusie dat ik empathisch ben niet zo vergezocht.

Absurd
Het is veelzeggend en eigenlijk absurd dat ik het noodzakelijk heb geacht om dit alles te analyseren om mezelf te kunnen geruststellen dat ik wel degelijk empathisch vermogen heb en ik dus geen autist ben. Hopelijk spreken mijn columns wat dat betreft ook voor zich. Veel van mijn columns komen tenslotte voort uit een sterk rechtvaardigheidgevoel. De hieruit voortvloeiende gevoelens van onmacht als ik via de media word geconfronteerd met onrecht en oneerlijkheid vormen denk ik ook een belangrijk kenmerk van empathie. Zonder empathie geen columns zoals deze.

Gesloten
Na mijn conclusie dat ik wel degelijk empathisch ben en dus ook geen autist kan zijn, rest de interessante vraag waarom mijn ex-vrouw mij dan toch betichtte van de afwezigheid van empathisch vermogen wat op mij overkwam als een verwijt.
Uiteraard denk ik als eerste omdat zij blijkbaar iets in mij miste in onze relatie die uiteindelijk dan ook niet voor niets uitmondde in een scheiding. Ik kan me bij haar gevoel wel wat voorstellen. Al hebben alle verhalen twee kanten en ook hier, want dat gevoel van missen was helaas wederzijds.
Meestal ben ik iemand die bij individuele personen snel vertrouwen weet te wekken. Ik denk dat dat vooral komt doordat ik nieuwsgierig en belangstellend ben en veel directe vragen stel die anderen niet snel durven te stellen. Daarbij stel ik mezelf ook altijd kwetsbaar op. Hierdoor heb ik diverse keren in mijn leven meegemaakt dat mensen die ik nog niet eens zo goed kende, aan mij dingen vertelden waarvan ze beweerden dat ze die nog nooit aan iemand anders hadden verteld. Blijkbaar roep ik dat dus bij sommige mensen op.
Helaas moet ik constateren dat dat om wat voor reden dan ook bij mijn eigen vrouw eigenlijk nooit is gelukt. Ik vertelde haar aan het eind van ons huwelijk ooit dat er volgens mij achter haar stoere en zelfverzekerde uitstraling een klein gevoelig en kwetsbaar meisje verscholen zat dat naar buiten wilde. Maar dat hoe graag ik dat meisje ook tevoorschijn wilde laten komen, ik helaas moest concluderen dat dat mij in elk geval niet was gelukt en dat ik dat ook een beetje als falen zag. Omdat ik zoiets normaal gesproken tot mijn sterkste kanten reken.
Waar het aan lag dat het mij niet lukte, heb ik wel ideeën over. Ik heb mijn vrouw altijd heel gesloten gevonden, al is het grappig dat zij precies hetzelfde over mij zei. Terwijl ik mezelf nou niet bepaald als gesloten zou omschrijven. Ja, voor mensen die ver(der) van me af staan kan ik zeker overkomen als een stille, introverte man. Maar dat geldt zeker niet voor vrienden die mij goed kennen. Die zullen veel over me zeggen maar niet dat ik gesloten ben. Terwijl ik vermoed dat de vriendinnen van mijn vrouw haar wel eens zo zouden kunnen omschrijven.
Hoe je het ook wendt of keert, kan ik voor mezelf concluderen dat mijn vrouw ook voor mij een gesloten boek bleef waarvan ik de sleutel eenvoudigweg niet kon vinden. Ik kreeg gewoon geen hoogte van haar. En omdat zij niet hield van mijn directe manier van communiceren en sommige vragen van me impertinent en brutaal vond, zal ik ongetwijfeld bewust dan wel onbewust ook steeds meer afstand van haar hebben genomen.

Projectie
Behalve dat het kan zijn dat mijn vrouw door de groter wordende afstand empathie bij mij miste, is er ook een andere verklaring voor haar verwijt naar mij toe. Ik moet daarbij denken aan mijn moeder.
Sinds mijn vader een paar jaar geleden overleed, heeft mijn moeder de neiging om hem allerlei eigenschappen toe te dichten die in de ogen van mijn zus en mij totaal niet kloppen. Dan vertelt ze bijvoorbeeld dat ze mijn vader altijd zo dominant vond en somber en negatief en pessimistisch. Dat dat niet juist is, blijkt onder andere uit het feit dat onze vader ons ooit had laten weten dat als hij zijn leven een cijfer zou moeten geven, hij er een acht voor zou geven. Mijn moeder daarentegen vertelde mij ooit dat als ze terugkeek op haar leven ze vond dat ze niets van haar leven had gemaakt. Ik vermoed zomaar dat een acht voor haar helaas iets te hoog gegrepen is.
Mijn zus maakte toen de verstandige opmerking dat onze moeder aan projectie deed: het verschijnsel waarbij mensen negatieve eigenschappen of emoties van zichzelf trachten te ontkennen, verbergen of verdringen door deze aan iemand anders toe te schrijven. Mensen die dit doen, doen dit meestal onbewust om niet de confrontatie met zichzelf te hoeven aangaan over hun minder leuke kanten: “Wat je zegt, ben je zelf!” en “Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten”.
Zeker nadat ik mij verdiept had in het onderwerp empathie kon ik bevestigen wat ik al eerder vermoedde: ik vond mijn vrouw behalve gesloten ook niet bepaald empathisch. Zo kan ik me nog de dag herinneren dat ik haar heel zenuwachtig vertelde over mijn ontdekkingen over hoogbegaafdheid en mijn vermoedens dat ik “het” zelf misschien wel was. Nuchter als altijd reageerde ze met: “En wat wil je daarmee doen?” Terwijl ik had gehoopt op een beetje begrip en belangstelling over hoe ik tot dit idee gekomen was. Andersom zou ik aan haar lippen hebben gehangen en allemaal vragen hebben gesteld.
Met mijn vermoedens tot weinig empathie bij mijn ex-vrouw, was het cirkeltje rond aangezien zij precies hetzelfde over mij dacht. Al vermoed ik dus dat hier ergens sprake was van projectie.

Verschillende visie op communicatie
Ook interessant was dat ik er aan het eind van ons huwelijk achter kwam dat wij een hele andere visie op communiceren hadden. In mijn ogen is de basis van een goede communicatie binnen een relatie dat je belangstellend naar elkaar toe bent en dit laat zien door interesse in elkaar te tonen door het regelmatig stellen van vragen. Zij daarentegen vond dat als je in een relatie elkaar dingen wilde vertellen je dat wel uit jezelf deed en er daarvoor geen vragen hoefden te worden gesteld.
Hierdoor ontstonden vreemde situaties tussen ons waarbij ik bijvoorbeeld ergens was geweest en bij thuiskomst hoopte dat zij belangstelling zou tonen door het stellen van vragen (al was het alleen maar van “Hoe was het?”) terwijl zij er gewoon van uitging dat als ik iets wilde vertellen ik dat wel deed. Gevolg: pijnlijke stiltes en een prachtig voorbeeld van hoe een verschillende visie op communiceren funest is voor een huwelijk.
Inmiddels ben ik erachter dat heel veel mensen de communicatiemethode van mijn ex hanteren, want ik kom in mijn leven veel meer mensen tegen die veel praten (en weinig zeggen) maar daarbij nooit vragen aan mij stellen dan mensen die heel geïnteresseerd en belangstellend zijn. En wie mij kan zeggen hoe je geïnteresseerd en belangstellend kunt zijn zonder vragen te stellen, mag het mij zeggen. Mij lijkt dat in elk geval onmogelijk.

Als een zombie
Behalve dat ik op basis van alle feiten nu wel kan zien dat ik geen autist ben, heb ik deze conclusie inmiddels ook zwart op wit van een erkend psycholoog.
Een tijd terug ging het niet zo lekker met me en mijn zus besloot een psychologe voor me uit te kiezen en met mij mee te gaan. Waarschijnlijk omdat ze anders twijfels zou hebben of ik wel zou gaan, en terecht. Ik kan me er niet zoveel meer van herinneren. Volgens mij zat ik er als een soort zombie bij met een houding van het kan me allemaal toch niks meer schelen. Maar desalniettemin beantwoordde ik braaf de vragen en vertelde mijn verhaal.
Op een gegeven moment hadden we het over sociale situaties en vertelde ik dat ik in gezelschap vaak het gevoel heb alsof iedereen dat sociale spel beheerst behalve ik. Ik haat small talk gesprekken en vind het allemaal nogal onbenullig en nietszeggend en ik weet dan gewoon geen raad met mijn houding. Heel vaak komt het in dat soort situaties voor dat zonder dat ik het besef en zonder dat ik dat bewust doe ik opeens behalve figuurlijk ook letterlijk buiten de groep val. Dan zit ik bijvoorbeeld met een groep mensen aan een lange tafel en op een gegeven moment splitst die zich in twee praatgroepjes. Altijd, echt altijd is het dan zo dat ik weer in het midden beland bij de splitsing. Sterker: ik bén de splitsing. Ik weet niet hoe ik het voor mekaar krijg, maar ik flik het steeds opnieuw. Alsof die mensen dat van tevoren met elkaar hebben bekokstoofd. Om paranoïde van te worden.
De psychologe die mijn verhalen volgens mij niet bijster interessant vond, veerde bij het horen van mijn mededeling dat ik het zag als een spel dat ik niet beheerste opeens enthousiast op en riep dat dat kenmerkend is voor PDD-NOS. Volgens mij zeer opgelucht over het feit dat ze iets uit haar theorieboekjes had onthouden én herkend, verwees ze mij niet alleen onmiddellijk door naar een specialistisch centrum voor diagnose van autisme maar regelde ze ook meteen een afspraak voor me. “Omdat dit niet mijn specialiteit is.”
Ik was niet eens in staat om de boze emoties in me naar boven te halen die ik had toen men ook op basis van vrijwel niets mijn oudste zoon PDD-NOS in de mik probeerden te schuiven (zie column 138).
Eenmaal thuisgekomen werd ik pas weer wakker en mondig en assertief en belde ik onmiddellijk mijn zus op om haar te vertellen dat het grote bullshit was dat ik autistisch zou zijn en dat ik echt niet van plan was om naar zo’n stom centrum te gaan. Maar mijn zus zei dat ik gewoon moest gaan, “want er is wel iets met jou aan de hand.”
Een week later ging ik toch maar bij het centrum langs, had anderhalf uur een leuk gesprek met een specialist daar, die mij aan het eind de bevestiging gaf van wat ik al wist: ik ben geen autist. Ik zei tegen hem dat ik dat graag zwart op wit wilde hebben om de eerstvolgende persoon die mij van autisme zou gaan betichten mee om de oren te kunnen slaan. De man ging akkoord en herhaalde de woorden van mijn zus dat er echter wel “iets” met mij aan de hand was, maar wat dat precies was wist hij ook niet.

Persoonlijkheidsstoornis NAO
Blijkbaar wilde hij dat zwart op wit niet onvermeld laten, want even later kreeg ik een verklaring thuis gestuurd waarop stond dat was vastgesteld dat ik geen autistische stoornis had, maar dat hij bij mij wel dacht aan een persoonlijkheidsstoornis NAO. Bij navraag bleek dat te betekenen: Niet Anders Omschreven. Vrij vertaald kun je deze “diagnose” krijgen als ze wel wat afwijkingen bij je zien, maar ze deze niet in één hokje weten te plaatsen. Waarvan akte.
Natuurlijk had ik de man nog kunnen opzoeken om de discussie met hem aan te gaan of ik niet heel misschien de stoornis hoogbegaafd zou kunnen hebben, omdat ik me steeds maar weer opnieuw blijf herkennen ik al die kenmerken en dat toch geen toeval kan zijn. Maar ik heb het wijselijk hierbij gelaten. Ik word een beetje gek van die hulpverleningswereld met al haar diagnoses en niet anders omschreven persoonlijkheidsstoornissen. Geef mijn portie maar aan Fikkie.
Als mijn ex en haar moeder willen, kunnen ze trouwens altijd een kopietje van me krijgen…

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Column van TonKo, 4/8

138. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (DEEL IV), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID): You’ve got to be kidding me!
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Verkeerde hokjes
De poging van het instituut om mijn zoon persé in een hokje te willen plaatsen wat achteraf alleen niet de juiste bleek te zijn, is iets waarvan ik durf te wedden dat dat ontzettend vaak voorkomt in Nederland. Ik had alleen geluk dat ik kritisch meedacht en mijn vraagtekens zette en dus een second opinion aanvroeg, maar heel veel andere ouders hebben dat geluk natuurlijk niet. Eenvoudigweg omdat zij minder mondig, kritisch of slim zijn of gewoon teveel ontzag voor autoriteit tonen waardoor ze opkijken tegen alles wat maar een witte jas aanheeft. Met als gevolg dat deze witte jassen hen alles kunnen wijsmaken wat ze maar willen.
Ik wil niet weten hoeveel kinderen er op dit moment in Nederland rondlopen die doodongelukkig zijn omdat zij (en hun ouders) niet beseffen dat ze in een heel verkeerd hokje zijn geduwd. Met als vervelend gevolg dat ze momenteel de verkeerde behandelingen ondergaan en misschien zelfs medicijnen slikken die nergens op slaan of die de problemen alleen maar verergeren.

Woedend
Niet veel later na het MCDD-incident werd mijn zoon door zijn problemen in de omgang met andere kinderen op school geobserveerd door weer een nieuw iemand van weer een nieuwe hulpverleningsinstantie.
Deze mevrouw had mijn zoon iets van een halfuur geobserveerd en wist ons toen met stelligheid te verkondigen dat hij PDD-NOS had. Toen had ik het echt even helemaal gehad met dit soort Mieppen en instanties die maar denken dat ze de waarheid in pacht hebben. En dat allemaal op basis van een halfuurtje naar mijn zoon kijken op het schoolplein. Kom op zeg, you’ve got to be kidding me!
Ik viel uit tegen deze mevrouw en zei haar dat ik haar met al mijn ervaringen toch moeilijk serieus kon nemen. Verdomme, ik kreeg het idee dat als ik met mijn zoon naar tien verschillende instanties zou gaan ik tien verschillende diagnoses zou krijgen. Hoe kun je in godsnaam na een halfuurtje een diagnose stellen waar jouw kind straks wellicht zijn hele leven mee zit opscheept? Ik was woedend.

Een stoornisje meer of minder
Grappig is dat in de loop der tijd ook over mij door professionals én bekenden dingen zijn geroepen over “wat ik zou hebben” die, vaak achteraf, gewoon aantoonbaar niet klopten en waarvoor ik inmiddels goede argumenten kan aandragen.
In de laatste jaren van mijn huwelijk kreeg ik een keer van mijn vrouw een artikel dat haar moeder speciaal voor mij had uitgeknipt. Zo’n typische actie van een vrouw en/of schoonmoeder, al was dit niet bepaald een hint waar de subtiliteit vanaf droop. Het was een artikel over het syndroom van Asperger. Ach, een stoornisje meer of minder in ons gezin moet niet uitmaken, zal mijn schoonmoeder hebben gedacht.

Asperger syndroom
Samen met PDD-NOS en MCDD valt ook het Asperger-syndroom onder het autistisch spectrum. Net als bij alle andere vormen van autisme houdt ook Asperger in dat je in elk geval een gebrek aan empathie hebt, je problemen ondervindt in de sociale communicatie, je beperkte interessegebieden hebt en je opvallend herhalingsgedrag vertoont. Afwijkend ten opzichte van andere autistische varianten is dat mensen met Asperger geen vertraagde taalontwikkeling hebben gehad en een gemiddeld of zelfs hoog IQ hebben.
Als mijn schoonmoeder mij een beetje had gekend en zich (of ik mij) wat beter in mij en in Asperger had verdiept, had (ik) ze (toen al) geweten dat er een paar zaken niet klopten aan haar vermoedens. Waarin ze wel gelijk had, is bijvoorbeeld mijn monotone stem dat ook bij Asperger hoort. En ook dat ik moeite heb met bepaalde sociale situaties. Al kan dat natuurlijk ook andere oorzaken hebben. Zo bestaan er ook mensen die moeite hebben om te verkeren in sociale omgevingen waarin ze niet het gevoel hebben dat er een sfeer heerst waarin onderling oprecht veel interesse in elkaar is. Op het onderwerp empathie kom ik straks nog uitvoerig terug.
Behalve dat ik zeer breed geïnteresseerd ben en geen opvallend herhalingsgedrag vertoon met allemaal vaste procedures en gewoontes (dat zou ik juist wat meer kunnen gebruiken, chaoot die ik ben), ging mijn schoonmoeder op meer punten de mist in.
Typerend voor mensen met Asperger is bijvoorbeeld dat ze dingen nogal letterlijk kunnen nemen en daardoor moeite hebben met het inschatten of iets een grap is of niet. Ik heb zelf enorme ironische, cynische humor en als ik een autist zou zijn, zou dat volgens mij vrij uniek zijn. Ook blijken “Aspergers” motorisch nogal onhandig te zijn. Ik ben altijd een goede sporter geweest en ik kan met geen mogelijkheid ergens uit concluderen dat er motorisch iets mis zou zijn met mij. Ook vertoon ik niet zoals veel “Aspergers” een overgevoeligheid voor geluiden, geuren en aanrakingen. Iets wat ook hoort bij hoogsensitiviteit (HSP) wat overigens weer een totaal andere “stoornis” is dan autisme. Ook daar kom ik later op terug.

Dat is het!
Overbodig te zeggen dat ook mijn vrouw ervan overtuigd was dat ik autistisch was. Sterker nog, ik ben er honderd procent zeker van dat zij dat tot op de dag van vandaag nog steeds van mij denkt. Wie haar kent, moet het haar maar eens voor de grap vragen. Op een dag vertelde mijn vrouw dat ze mij totaal niet empathisch vond.
Het stomme van dit alles is dat ik in die tijd nog veel te weinig kennis bezat over al deze “stoornissen” en bovendien veel te weinig zelfvertrouwen had en overal aan twijfelde en in de eerste plaats aan mezelf. Waardoor ik in feite heel veel aannam van wat mensen in mijn directe omgeving over mij aan mij vertelden. Dus toen mijn vrouw en schoonmoeder aankwamen met autisme, Asperger en een gebrek aan empathie dacht ik meteen: o jee, dus dat is het. Dát is mijn probleem.
Als ze me hadden verteld dat ik volgens hen een paranoïde persoonlijkheidsstoornis bezat, had ik ze ook geloofd. Dan had ik ze waarschijnlijk eerst enorm gewantrouwd om vervolgens snel te bedenken van shit zie je wel, ze hebben toch gelijk.

Rubik’s Cube
Nu moet ik zeggen dat dit allemaal speelde net voordat ik meer kennis kreeg over hoogbegaafdheid en er voor mij over mezelf toch wat puzzelstukjes op zijn plaats begonnen te vallen. Vooral kleine details begonnen opeens betekenis te krijgen.
Zo kon ik mij bijvoorbeeld herinneren dat ik als jonge puber gefascineerd met de Rubik’s Cube begon te spelen toen die net was uitgekomen en voor het eerst een rage werd. Grappig, want momenteel is de kubus een rage in mijn dochters klas en speelt zij er even fanatiek mee als ik 35 jaar geleden. Alleen zijn de tijden veranderd: tegenwoordig leren de kinderen elkaar de oplossing die is opgezocht op You-Tube.
Uuuren heb ik met de Rubik’s Cube gespeeld, totdat ik ‘m uiteindelijk oploste en de grootste lol er vanaf was. Al ging ik er nog wel een beetje mee door om mijn snelste tijd steeds te verbeteren. Vooral achteraf vind ik het toch best bijzonder dat ik ‘m zelf heb opgelost, omdat je kunt denken dat je daarvoor een bepaalde wiskundige aanleg moet hebben. Ik vond wiskunde echter niet leuk, ook vooral omdat ik een vervelende leraar had waar ik recht tegenover zat en die tot overmaat van ramp stevig rookte (wat toen nog mocht in de klas). Hierdoor wist ik meteen dat ik geen wiskunde zou kiezen in mijn vakkenpakket. Iets wat ik achteraf jammer vind, aangezien ik het idee heb dat ik misschien best aardig in wiskunde had kunnen zijn. Volgens mij ben ik sterk in logisch nadenken en wat is er nou logischer dan wiskunde?
In elk geval was ik er toen al best trots op dat mijn methode om de Rubik’s Cube op te lossen anders bleek te zijn dan de gebruikelijke methode en ik niemand anders zag die het op mijn manier deed. Die gebruikelijke methode is overigens veel sneller door de kubus laag voor laag op te lossen. Op deze wijze schijn je dat ding vanuit elke stand zelfs in slechts twintig draaiingen op te kunnen lossen, waardoor het wereldrecord inmiddels ergens rond de vijf (!) seconden ligt .
Voor mijn methode, die naar ik later begreep de Corners First-methode heet (omdat ik eerst de hoeken “invul”), heb je veel meer draaiingen nodig. Je maakt mij ook niet wijs dat iemand op mijn manier dat ding binnen tien seconden kan oplossen. Mijn record is dertig seconden, wat ik overigens nooit meer zal verbeteren. Ik had toen veel geluk omdat die goed “viel”, wat voor mijn methode absoluut vereist is.
Toch zal ik me altijd blijven afvragen of ik niet pure mazzel heb gehad met het oplossen van de kubus door gewoon veel te oefenen of dat er wel degelijk een bepaald inzicht mee heeft gespeeld.

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Mijn kapot gespeelde Rubik's Cube (foto: Tonko)

Column van TonKo, 3/8

137. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (DEEL III), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID), OVER HULPVERLENERS DIE MENSEN IN HOKJES WILLEN STOPPEN EN DAARBIJ ONVERMIJDELIJK FOUTEN MAKEN : “Uw zoon heeft helemaal geen MCDD”
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Afwijkend en eigenaardig gedrag
Toch is het begrip hoogbegaafd daarna niet uit mijn leven verdwenen. Vroeg of laat dook het wel weer op.
Om met laat te beginnen: toen mijn zoons zo tussen de negen en twaalf jaar oud waren, bleken veel van hun vriendjes hoogbegaafd te zijn. Toeval? Of gewoon een kwestie van soort zoekt, en vindt, soort? Ik weet nog dat mijn oudste zoon na zijn slechte jaren op de basisschool met weinig vriendjes in de eerste (HAVO/VWO) klas eindelijk een goede klik met een jongen bleek te hebben. Bij de eerste ouderavond sprak ik eventjes met de vader van die knul die mij vertelde dat zijn zoon op de basisschool diverse problemen had gehad waarna uit een test was gebleken dat hij hoogbegaafd was. Overigens ging deze jongen later niet naar VWO maar naar de HAVO om aan te geven dat lang niet alle hoogbegaafden VWO of gymnasium doen.
Maar ook vroeg dook de term hoofbegaafd al op. Bijvoorbeeld doordat na mijn oudste zoon ook mijn tweede zoon als jong kind geen aansluiting bleek te hebben met leeftijdgenoten en ook hij afwijkend gedrag begon te vertonen. Eigenlijk nog een stuk eigenaardiger dan zijn broer, want hij stopte van de ene op de andere dag met praten, althans buitenshuis (selectief mutisme – zie column 16).
Natuurlijk kon het toeval zijn dat we twee zoons hadden met afwijkend en eigenaardig gedrag, maar ik zei tegen mijn vrouw dat ik dat niet los van elkaar kon zien. Ik zag twee kinderen die om wat voor reden dan ook gefrustreerd gedrag vertoonden waarbij de een dat blijkbaar uitte door zich soms agressief te gedragen en de ander door maar lekker te gaan zwijgen. Ook over mijn tweede zoon viel wel eens het woord hoogbegaafd al hebben we hem nooit laten testen, aangezien het ons er uiteraard vooral om ging dat hij weer gewoon ging praten. Wat na de nodige hulp gelukkig ook gebeurde.

Disharmonieus intelligentieprofiel
Mijn oudste zoon werd voor zijn tiende jaar wel een paar keer getest. Eerst bleek hij na IQ testen een disharmonieus intelligentieprofiel te hebben. Wat inhield dat er een sprake was van een zogenaamde performaal-verbale (P/V) kloof: een verschil tussen het IQ op performaal niveau (meet alles met betrekking tot het praktisch omgaan met kennis, het oplossen van problemen, etc.) en verbaal niveau (meet alles met betrekking tot woordenschat, taalgevoel etc.) van minstens twaalf punten.
In het geval van mijn zoon was die kloof best groot: verbaal scoorde hij rond de 110 en performaal rond de 140 met dus een verschil van dertig punten. De gedachte is dat zo’n kloof leidt tot problemen of zelfs kan duiden op een andere stoornis. In het geval van mijn zoon zou het problemen kunnen opleveren doordat hij, simpel gezegd, weliswaar heel goed problemen zou kunnen oplossen, maar dat hij dat dan echter vervolgens verbaal niet zo goed zou kunnen overbrengen.
Inmiddels blijken de meningen binnen de wetenschap over of deze P/V-kloof wel of geen problemen en/of andere stoornissen zou veroorzaken, verdeeld. De kans op problemen lijkt groter bij kinderen die performaal hoger scoren dan verbaal (zoals bij mijn zoon) dan als het andersom het geval is. Verder schijnt de kans op een P/V-kloof bij kinderen die een IQ score hebben van boven de 130 vijf keer zo groot te zijn als bij de rest. Bij hoogintelligente kinderen is er gemiddeld sowieso een groot verschil tussen hun sterkste en “zwakste” gemeten onderdelen, wat de vraag oproept of je deze kinderen niet anders moet benaderen dan de overige kinderen met een P/V-kloof.

Harmonieus intelligentieprofiel
Zeer opvallend was dat toen mijn zoon een paar jaar later opnieuw werd getest hij opeens “af” bleek te zijn van zijn disharmonieus profiel. Nu scoorde hij juist een zeer harmonieus intelligentieprofiel met performaal en verbaal een IQ score die onderling maar een paar punten scheelde en gemiddeld uitkwam op 129.
Wat mijn overtuiging bevestigt dat als je bij diverse instituten op verschillende momenten iemand test er altijd een kans bestaat dat er hele verschillende resultaten uitkomen. Eenvoudigweg omdat het (de) ene instituut/test-afnemer/test het (de) andere niet is; daar waar er mensen zijn altijd fouten zullen worden gemaakt; het voor de geteste persoon altijd een momentopname is en factoren als faalangst en onderpresteren nooit moeten worden onderschat.
Hoe meer ik over IQ-testen lees, hoe duidelijker het mij wordt dat ze meer gezien moeten worden als een indicatie en schatting dan als een keihard bewijs van iets. Zo las ik bijvoorbeeld een verhaal over een autist die bij diverse IQ-testen scores had behaald tussen de 79 en 147!

MCDD
Omdat de aanleiding om onze zoon te laten testen was dat wij ons zorgen maakten over bepaald problematisch gedrag, had het instituut hem uiteraard op veel meer punten getest dan alleen op intelligentie. Interessant was om te zien dat het instituut duidelijk als doel had om hem in een hokje te kunnen plaatsen. Wat niet helemaal onbegrijpelijk is, aangezien dat een belangrijk handvat kan zijn voor ouders en eventuele hulpverleningsinstanties richting het te volgen traject.
Toen men de resultaten met ons gingen bespreken, werd tot mijn verbazing het woord “hoogbegaafd” nergens genoemd. Misschien omdat je daarvoor officieel 130 of hoger moet scoren in plaats van 129 en ze om die reden dit hokje maar hadden doorgestreept. Helaas was ik toen al zover dat ik absoluut niet wilde overkomen als zo’n arrogante ouder die meteen denkt dat zijn kind hoogbegaafd is en ik dus maar besloot om braaf mijn mond te houden. Iets wat ik in mijn leven veel en veel te vaak heb gedaan en waar ik nu enorme spijt van heb.
In elk geval vind ik het vreemd dat als een kind tijdens een test een disharmonieus intelligentieprofiel laat zien met daarin een score van 140 op performaal niveau en hij een paar jaar later uitkomt op een harmonieus intelligentieprofiel met een gemiddelde P/V score van 129 dat dan de mogelijkheid tot een diagnose van hoogbegaafdheid niet wordt besproken. Maar dat zal wel weer aan mij liggen.
Het instituut kwam daarvoor in de plaats met iets nieuws. Alhoewel ze eerlijk toegaven er niet helemaal van overtuigd te zijn, dachten zij aan de diagnose MCDD. MCDD is een meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis, wat weer valt onder PDD-NOS, dat op haar beurt weer onderdeel is van het autistisch spectrum.
Kenmerkend voor MCDD is het hebben van: intense angsten, primitieve driftbuien en woedeaanvallen, een groot gebrek aan empathie en moeite met het onderscheid maken tussen realiteit en fantasie. Mensen met MCDD kunnen last krijgen van paniekaanvallen, paranoia, psychoses, schizofrenie en megalomanie (grootheidswaanzin). Het moge duidelijk zijn dat dit geen kinderachtige diagnose is. Kinderen met MCDD worden dan ook doorverwezen naar het speciaal onderwijs, omdat ze niet geschikt zouden zijn voor het reguliere onderwijs.

Second opinion
Mijn ex-vrouw was na het horen van de diagnose vooral opgelucht. Voor haar was het allemaal klaar als een klontje en vielen alle puzzelstukjes op zijn plek. Ik daarentegen was niet overtuigd. Ja, ik zag absoluut wat overeenkomsten met mijn zoon. Mijn zoon vertoonde inderdaad primitieve driftbuien en woedeaanvallen en inderdaad had hij bepaalde angsten, zoals bijvoorbeeld voor het donker en voor spinnen.
Ook had hij in zijn jonge jaren trouwens een wat macabere fascinatie voor de dood, wat als thema vaak in zijn tekeningen terugkwam. Op een gegeven moment kwam hij zelfs met voorstellen om bij begraafplaatsen langs te gaan om er tekeningen van te kunnen maken. Maar wat ik altijd het meest aandoenlijk aan mijn zoon heb gevonden, is zijn lieve en zachtaardige kant. Achter al die woedeaanvallen zag je hem gewoon worstelen met zijn agressiviteit en frustratie en gebrek aan zelfbeheersing. Ik weet nog dat hij op een dag zei dat als die onbeheersbare buien zo bleven hij niet meer wilde leven. Hij was toen slechts vijf jaar oud. Een kind van vijf hoort natuurlijk niet dat soort dingen te zeggen laat staan te denken.
Maar wat betreft de MCDD-diagnose vroeg ik me af of mijn zoon daadwerkelijk nou zo’n gebrek aan empathie had. Zo weet ik bijvoorbeeld dat als hij naar filmpjes van Mr. Bean keek hij altijd enorm met het typetje van Rowan Atkinson meeleefde en oprecht medelijden met hem had als er iets zieligs gebeurde. Terwijl mijn zoon heus wel wist dat het allemaal nep was.
Was dat extreme inleven nou niet gewoon een vorm van empathie of moest ik dat soort gedrag juist interpreteren als dat mijn zoon moeite had met het maken van onderscheid tussen realiteit en fantasie? Maar ook dat aspect herkende ik verder gelukkig niet bij mijn zoon. Ieder kind heeft meer fantasie dan volwassenen, maar als dat op een niveau is waarop je je gaat afvragen of hij nog wel binding met de realiteit heeft, was me dat vast wel opgevallen.
Ik zei mijn vrouw dat ik wel wat herkende maar lang niet alles en dat ik een second opinion wilde. Bovendien had het instituut zelf deze diagnose nou niet bepaald met overtuiging gegeven. De twijfel droop er vanaf. Natuurlijk speelde bij mijn wens voor een second opinion ook het besef dat als wij zouden meegaan met deze heftige diagnose we in een (hulpverlening) molen terecht zouden komen waar we waarschijnlijk nooit meer uit zouden komen.
Van mijn vrouw hoefde een second opinion niet. Waarschijnlijk ook omdat ze al lang blij was nu een mogelijke verklaring te hebben voor de problematiek van onze zoon en ze het beestje een naam kon geven.
Een korte tijd later werd mijn zoon opnieuw getest, maar ditmaal door een psychiater die veel ervaring had met MCDD-patiënten. Zijn conclusie was kort en duidelijk: mijn zoon had helemaal geen MCDD. MCCD was veel extremer dan wat mijn zoon had.

Opgelucht
Ditmaal was ik degene die opgelucht was. Niet om mezelf op de borst te slaan, maar ik wil niet weten wat er met mijn zoon zou zijn gebeurd als wij waren meegegaan in deze diagnose. We hadden hem in dat geval zeker aangemeld voor het speciaal onderwijs waar wij ons al een beetje in hadden verdiept. Maar gelukkig is hem dat allemaal bespaard gebleven en is hij gewoon naar een reguliere middelbare school gegaan waarna het stap voor stap steeds beter met hem ging.
Het liep zoals ik stiekem gehoopt en misschien zelfs een klein beetje verwacht had. Ik weet nog dat ik destijds tegen de psychologe die mijn zoon hielp, zei dat ik er ook rekening mee hield dat mijn zoon zijn moeilijkste periode voor zijn twaalfde zou hebben gehad en dat hij daarna wel eens in rustiger vaarwater terecht zou kunnen komen. Dit in tegenstelling tot veel andere kinderen die juist in de puberteit druk worden en problemen gaan veroorzaken, daar waar je dat op de basisschool totaal niet zag aankomen.
Tot nu toe heb ik gelijk, al juich ik niet te vroeg. Hij is inmiddels zestien.

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Mr. Bean (foto van DVD: Tonko)

Column van TonKo, 2/8

136. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (DEEL II), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID): PSYCHIATER, HB-COACH, PROBLEMEN OUDSTE ZOON, HERKENNING: Jezus, ik ben hoogopgeleid en zelfs dit kan ik niet eens
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Psychiater en hoogbegaafdencoach
In mijn langdurige zoektocht naar hulp bij mijn steeds terugkerende worstelingen met mezelf, zeg maar gerust depressies, had ik laatst ontmoetingen met een psychiater en een hoogbegaafdencoach. Ondanks dat ik de psychiater had verteld dat het mij stoorde dat ik in mijn leven diverse psychologen was tegengekomen die mij maar ook mijn oudste zoon op basis van één gesprek meteen in een hokje dachten te kunnen duwen, wilde zij gek genoeg toch ook een poging wagen: kijkend naar haar ervaringen met cliënten dacht ze in mij de hoogbegaafde ADHD’er te herkennen. Wat mij uiteraard uitlokte tot een discussie omdat ik niet denk dat er veel mensen in mijn omgeving een ADHD’er in mij zien, incluis mezelf. Zo zijn bijvoorbeeld veel ADHD’ers impulsief en hyperactief, terwijl ik juist bedachtzaam ben en helaas eerder de depressieve neiging vertoon tot hyperpassiviteit. Laat ik zeggen dat ik prima een lange tijd stil in een hoekje kan zitten.
Behalve door mijn chaotische inslag vermoed ik dat ze haar conclusie trok op basis van mijn breedsprakigheid. Al kan ik voor mijn drukke manier van praten ook een simpele verklaring geven: wanneer je bij een psychiater zit die een drukke agenda heeft, wil je zo efficiënt mogelijk bezig zijn en probeer je dus in zo weinig mogelijk tijd zoveel mogelijk te vertellen. Dat ik dan extra druk overkom, begrijp ik.
Maar wat de ADHD-“diagnose” betreft, moet ik wel toegeven dat voordat ik in mijn puberteit een teruggetrokken einzelgänger werd, ik als jong kind als druk en uitsloverig bekend stond. Iets wat veel huidige bekenden van mij waarschijnlijk zal verbazen.
De hoogbegaafdencoach vroeg mij waarom ik van hem de bevestiging wilde krijgen van iets wat ik zelf al lang wist. Al luisterend naar mij bleek hij in elk geval geen enkele twijfel over mijn hoogbegaafd-zijn te hebben, wat mij zeer geruststelde. Ik ben dus niet gek.

Wellicht hoogbegaafd
Toen mijn oudste zoon van zestien ongeveer tien jaar geleden problemen op school had waarbij hij om welke reden dan ook frustraties vertoonde die hij soms nogal agressief op andere kinderen kon afreageren, opperde een juf een keer dat hij wellicht hoogbegaafd was omdat hij een slimme en creatieve jongen was die ook zo goed en gedetailleerd kon tekenen. De juf zei ook over mijn zoon dat ze echter niet het idee had dat het zijn bedoeling was om andere kinderen pijn te doen.
Mijn (inmiddels ex-) vrouw en ik moesten er een beetje om lachen omdat we in een tijd leven waarin het wel erg in is om iedereen in een hokje te willen duwen. Vroeger waren kinderen druk, stil en teruggetrokken of heel slim en nu blijken die kinderen opeens respectievelijk ADHD’er, autist of hoogbegaafd te zijn.
Toen echter een paar maanden later een juf van de kinderopvang hetzelfde vermoeden uitsprak, besloot ik toch maar eens iets over hoogbegaafdheid te gaan opzoeken. Geen onverstandige zet, want wat ik las was zeer leerzaam en vooral verrassend.
Het beeld dat ik van een hoogbegaafde had, bleek zeer eenzijdig te zijn en gebaseerd op vooroordelen. Ik zag een nerd voor me met een brilletje dat overal tienen voor haalde, gepest werd en later een succesvolle professor in de scheikunde werd, of zoiets. Hoe meer ik echter over hoogbegaafdheid las, hoe meer ik mijn beeld moest bijstellen en hoe meer ik ook dingen bij mijn zoon begon te herkennen.
In het begin dacht ik dat als mijn zoon hoogbegaafd zou blijken te zijn hij dat ongetwijfeld van zijn moeder moest hebben. Zij had tenslotte alles volgens het boekje gedaan: met prachtige cijfers VWO en Universiteit doorlopen om vervolgens met haar sterke ambities een succesvolle carrière als manager te beginnen.
Mijn verhaal was daarentegen compleet anders en allesbehalve succesvol: ik had onopvallend HAVO en VWO doorlopen met vooral veel zesjes. Ik vond school niet leuk, ik hoorde er nooit bij en door tevreden te zijn met zesjes kon ik mijn tijd aan huiswerk beperken ten gunste van mijn uitlaatklep: tennis. Omdat ik nooit wist ik wat ik “later” precies wilde worden (twijfels die ik overigens nog steeds heb), deed ik met studie en werk maar wat waardoor er ook geen enkele lijn in mijn “carrière” zat en dat dus ook een rommeltje werd met veel eenvoudige banen en ontslagen. Waarbij ik me regelmatig ook nog ontzettend dom voelde omdat ik op dat niveau best veel fouten maakte: Jezus, ik ben hoogopgeleid en zelfs dit kan ik niet eens. Al waren niet de fouten maar mijn karakter de reden voor de meeste ontslagen. Men vond mij blijkbaar (te) lastig, te kritisch en te eigenwijs, terwijl ik voor mijn gevoel alleen maar zinnige dingen zei en niet begreep waarom zij dat niet begrepen.
Ondanks dat er natuurlijk ook genoeg hoogbegaafden bestaan met prachtige schoolresultaten en succesvolle carrières kwam ik er tot mijn verbazing achter dat ik meer voldeed aan het profiel van een hoogbegaafde dan mijn vrouw. Daar waar mijn vrouw op het gebied van school, vriendschappen en relaties en werk altijd lekker met de flow was meegegaan, was ik vanaf de middelbare school steeds meer een einzelgänger geworden zonder relaties en met weinig vrienden. Mijn vrouw stond/staat in haar omgeving ook niet zoals ik bekend als een non-conformistisch, vreselijk eigenwijs en nieuwsgierig persoon met de vervelende neiging om met alles en iedereen in discussie te willen gaan. Noch was ze zoals ik wars van autoriteit. Wat maar goed is ook, anders zou ze het natuurlijk nooit tot manager hebben geschopt.

Oude rapporten
Hoe meer ik hoogbegaafdheidkenmerken bij mijn zoon begon te herkennen, hoe meer ik dat ook deed bij mezelf. Wat niet gek was als je bedenkt dat ik altijd vond dat mijn zoon veel op mij leek. Terugkijkend op mijn vroege jeugd bedacht ik me dat ik net als mijn zoon goed en gedetailleerd kon tekenen en ik ook zo’n nieuwsgierig kind was dat veel vragen stelde en erg geïnteresseerd was in zaken als geschiedenis, religie (“Wie heeft God dan gemaakt?”, wat ik me trouwens nog steeds afvraag indien Hij mocht bestaan), het heelal, kunst, mysteriën van het leven en de dood etc. Ik discussieerde veel en wilde graag met mijn ouders naar musea daar waar op je dit gebied normaal gesproken het initiatief vanuit de ouders zou mogen verwachten.
Nou weet ik wel dat ik als jong kind nogal druk bleek te zijn, maar dat ik ook agressieve neigingen had stond mij echter niet bij. Gelukkig bleek ik ook in de beleving van mijn moeder nooit problemen met agressiviteit te hebben gehad. Een tijdje later kwam ik echter een paar oude schoolrapporten van me tegen van toen ik tussen de zes en negen jaar oud was en daar stuitte ik op een aantal interessante fragmenten.
Behalve dat ik passages las als “Tonko weet het altijd beter.”, “Tonko wil vaak koste wat het kost het laatste woord hebben.”, “Als alle kinderen luisteren, moet ik vaak op Tonko wachten.” en “Tonko is vaak een beetje te leuk.” vond ik de meest interessante de volgende: “Tonko is een goede leerling die als hij niet echt aan het werk is, heel erg druk kan zijn, wat vaak storend is. Hij is ook wel eens agressief. Ik geloof echter niet dat het zijn bedoeling is een ander pijn te doen.” Ondanks mijn sterke geloof in het bestaan van toeval denk ik niet dat het toeval is dat de juf van mijn zoon exact hetzelfde over hem zei als mijn juf 41 jaar geleden over mij schreef in mijn schoolrapport.

IQ testen
Dat ik mezelf linkte aan hoogbegaafdheid gebeurde overigens niet eerder voordat ik tussen alle lijstjes met hoogbegaafdheidkenmerken bij kinderen een lijstje vond waarop stond: “Herkent u dit als volwassene?” Tot mijn grote verbazing herkende ik mij er volledig in, maar het idee dat ik hoogbegaafd zou kunnen zijn vond ik een belachelijk idee. Toch besloot ik na een tijd voorzichtig wat IQ-testjes te doen in de veronderstelling dat daarmee het definitieve bewijs zou worden geleverd dat het inderdaad belachelijk was.
Grappig is trouwens te zien dat er een hoop discussie is over wat hoogbegaafdheid nu eigenlijk precies is. Nog steeds is daar geen overeenstemming over bereikt. Waar men het wel redelijk over eens lijkt te zijn, is dat je in elk geval een IQ-score moet hebben van 130 of hoger (ongeveer 2 ½ % van de mensheid). Maar waar de een vindt dat het puur draait om de potentie van de hersenen, vindt de ander dat je pas hoogbegaafd bent als je naast een IQ van boven de 130 ook creatief bent, doorzettingsvermogen bezit en uitzonderlijke prestaties hebt geleverd (dan val ik sowieso af).
Ik kocht een paar boeken met IQ-testen aangezien gratis IQ-testen op internet nogal onbetrouwbaar blijken te zijn en jouw score te hoog doen uitvallen. Net als trouwens de Nationale IQ-test van BNN waar diverse BN’ers een IQ halen waar Albert Einstein jaloers op zou zijn geweest. Nadat ik bloednerveus mijn eerste testje deed, scoorde ik 125 en dat was al veel hoger dan ik had verwacht. Daarna deed ik nog een aantal testen waarbij ik scoorde tussen de 125 en 142 en kon ik voor mezelf in elk geval de conclusie trekken dat mijn idee dat ik dingen herkende van de lijstjes met hoogbegaafdheidskenmerken blijkbaar dus toch niet zo belachelijk was als ik in eerste instantie dacht.

Mensa
Later deed ik nog een thuistest van de Mensa (organisatie voor hoogbegaafden). Niet met de intentie om toe te willen treden overigens, want ik heb niets met groepen en zeker niet met een hoogbegaafdenclub. Ik vind dat toch iets hautains en zelfingenomens hebben; net alsof je je boven het “gewone volk” wilt plaatsen. Naar mijn mening is het grootste gevaar voor hoogbegaafden en/of ouders van hoogbegaafden dat ze zich meer gaan voelen dan anderen en/of dat ze heel trots gaan lopen doen over het feit dat zij of hun kinderen hoogbegaafd zijn. Iets wat in dat wereldje, onvermijdelijk maar waar, ook heel erg vaak voorkomt.
Alsof hoogbegaafd zijn een prestatie is en alsof hoogbegaafden niet slim genoeg zijn om dat zelf ook te kunnen bedenken, namelijk dat dat natuurlijk niet zo is. Het is net als een model dat trots zegt te zijn op haar uiterlijk: dat noem ik geen prestatie, dat noem ik “nature”. Ja, een bodybuilder mag van mij trots zijn op zijn uiterlijk, want die heeft er een hoop voor moeten doen en laten. In feite sluit dit precies aan op een uitgangspunt dat in meer van mijn columns terugkomt: de mens heeft de neiging om geluk met vakmanschap te verwarren en dat is een groot gevaar in de hoogbegaafdenwereld.
Behalve dit reële gevaar binnen Mensa is er een andere reden waarom ik er nooit zou willen toetreden en die is heel menselijk. Ik heb al de neiging om me minder in gezelschap te voelen en hoe moet dat dan wel niet zijn als ik word omgeven door alleen maar superslimme mensen? Ook al zou ik ze tegemoet treden met de houding van ja maar Tonko je bent zelf ook hoogbegaafd, dan nog zou ik denken dat iedereen om me heen nog veel hoogbegaafder en slimmer is dan ik. Dat zou niet bepaald bevorderlijk zijn voor mijn zelfvertrouwen ben ik bang.
De reden om de thuistest van Mensa te doen was simpel: als ik voor een officiële Mensa-test zou slagen, zou ik me naar mijn omgeving in elk geval minder bezwaard voelen als ik mijn vermoedens tot hoogbegaafdheid zou uitspreken omdat ik dan iets zwart op wit had als “bewijs”. Overigens klopt dat ook niet, want de Mensa-test kan niet beschouwd worden als een officieel bewijs dat iemand hoogbegaafd is maar hooguit als een indicatie. In feite is er maar één manier om dat officieel te bewijzen en dat is door het maken van een officiële, zeer uitgebreide maar ook dure test bij een officiële psycholoog.
Na de thuistest kreeg ik een brief van Mensa waarin stond dat uit deze test bleek dat mijn intelligentie “waarschijnlijk boven het 98e precentiel ligt”. Het 98e percentiel is de toelatingseis van Mensa en houdt in dat je op minimaal één van de twee Mensa-testen een score moet halen die hoort bij de beste twee procent. Anders gezegd: als er willekeurig honderd mensen die test zouden doen moet jij bij de beste twee behoren.
Ik weet dat ik bij die brief heel cynisch dacht van ja, dat schrijven ze natuurlijk aan iedereen zodat ze makkelijk geld voor deelname aan de officiële test kunnen verdienen. Op van de zenuwen ging ik naar de toelatingstest om ervan overtuigd te zijn dat ik daar te midden van allemaal superslimme mensen keihard door de mand zou vallen en gigantisch zou falen en dat gebeurde uiteraard ook. Tenminste in die zin dat mijn score viel in het 96e percentiel en ik dus niet “geslaagd” was.
Voor mij was daarmee de kous af. Ik was niet hoogbegaafd en moest het woord niet over mezelf gebruiken. Wel mocht ik voor mezelf de zeer geruststellende conclusie trekken dat ik een stuk slimmer was dan ik altijd had gedacht. Het was dus niet zo vreemd dat ik hoogbegaafdheidskenmerken bij mezelf herkende.

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Column van TonKo, 1/8

135. COLUMN HOOGBEGAAFDHEID (DEEL I), ACHTLUIK OVER PRIVÉLEVEN VAN TONKO (KINDEREN, FRUSTRATIE WERK/ONTSLAGEN, LINK MET HOOGBEGAAFDHEID): Als een homo die op latere leeftijd zijn coming-out beleeft
Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is (zie columns 141, 142 en 143), maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Een profiel
Je hebt: een sterk gevoel van “anders” zijn; niets met small talk gesprekken en daarom een hekel aan groepen en feestjes waar je je totaal niet op je gemak voelt; een zeer sterk rechtvaardigheidsgevoel; veel innerlijke onrust; problemen met het organiseren van je leven; last van depressiviteit en kluizenaarsperiodes; een laag zelfbeeld met een chronisch gevoel van tekortschieten en mislukken; veel behoefte aan autonomie; een soort humor dat regelmatig niet begrepen wordt; vaak het gevoel onder je niveau te presteren (onderpresteren); strengere normen en waarden dan de maatschappij; perfectionistische neigingen met te hoge eisen en verwachtingen van jezelf en je omgeving, onder andere op het gebied van relaties en vriendschappen, waardoor je snel teleurgesteld raakt als daar niet aan wordt voldaan en het verlammend op je werkt; veel last van faalangst; vaak problemen met het starten van iets omdat door je de vele mogelijkheden niet weet waar je moet beginnen (en vervolgens weer moeite met het afmaken ervan); regelmatig ervaringen van “zie-je-wel-ik-had-toch-gelijk” waardoor je arrogant kunt overkomen; in gesprekken vaak het gevoel dat je je denkbeelden moet uitleggen of verdedigen (of ze worden gewoon genegeerd); de neiging om veel situaties en problemen steeds maar weer rationeel te benaderen; een sterke drang naar prikkels etc.
Je bent: wars van autoriteit (en vice versa); non-conformistisch; eigenzinnig; (te) eerlijk; kwetsbaar; consciëntieus (sterk ontwikkeld geweten); zeer nieuwsgierig; creatief; een solist; erg trouw en loyaal in relaties en vriendschappen; hooggevoelig; een tobber die vaak twijfelt omdat je anders denkt dan de meeste anderen; vaak eenzaam; een snelle, analytische denker en prater; idealistisch, het type dat de wereld zou willen verbeteren; iemand die door zijn omgeving vaak wordt omschreven als serieus, eigenwijs, een betweter en een drammer en vermoeiend; een chronische uitsteller; snel verveeld; snel geprikkeld, ongeduldig en gefrustreerd etc .
Op het gebied van werk en je carrière constateer je dat je een loopbaan hebt gehad van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Met veel banen op een eenvoudig niveau met allerlei routinematige werkzaamheden waar je steeds heel snel op uitgekeken raakte omdat je een hekel hebt aan herhaling; met veel arbeidsconflicten met leidinggevenden en bijbehorende ontslagen (waarbij je soms van ontslag naar ontslag hobbelde); met collega’s die jou zagen als iemand die regelmatig slecht luisterde, tactloze opmerkingen maakte, moeilijk benaderbaar was, geen doorzettingsvermogen en discipline had, pieken en dalen vertoonde in zijn functioneren en die moeilijk ergens in de organisatie te plaatsen viel.

Van A tot Z herkenbaar
Alles hierboven heb ik niet verzonnen maar van diverse sites op internet geplukt. Alles van A tot Z herken ik bij mezelf. Alles komt van lijstjes van kenmerken van hoogbegaafdheid.
Links en rechts heb ik de afgelopen jaren in mijn directe omgeving wel eens losgelaten dat ik volgens mij hoogbegaafdheidkenmerken bezit, maar écht hardop heb ik nooit stellig over mezelf durven zeggen dat ik “het” ben. Om diverse redenen: ik heb moeite om van mezelf te denken dat ik hoogbegaafd ben (zeker kijkend naar prestaties zijn er heel veel slimmere mensen op deze wereld dan ik), ik wil niet arrogant overkomen en bovendien merkte ik dat als ik mijn vermoedens tot hoogbegaafdheid uitte ik me vaak niet serieus genomen voelde.
Dit kan twee oorzaken hebben: ik bracht dit te twijfelachtig en allesbehalve overtuigend naar buiten waardoor men mij bij voorbaat al niet serieus wenste te nemen. Maar de belangrijkste reden is denk ik veel simpeler: de meeste mensen hebben hun negatieve oordeel over hoogbegaafd al klaar en zullen je meteen arrogant vinden (“Ja vast, jij hoogbegaafd?”) terwijl ze niet of nauwelijks kennis over hoogbegaafdheid hebben en dus helemaal niet kunnen oordelen of jij daaraan voldoet. Wat ook voor mij gold overigens; ik wist er eerst ook niets van.
Het grappige is dat als iemand mij met mijn huidige kennis over hoogbegaafdheid een zelfde soort levensverhaal als de mijne zou vertellen met alle bijbehorende overtuigingen, standpunten, emoties, twijfels en problemen waar hij tegenaan is gelopen, ik meteen zou roepen van “Joh doet niet zo moeilijk, je bent gewoon hoogbegaafd!” Terwijl als het over mezelf gaat, ik dat maar moeilijk kan geloven.
Het heeft ook te maken met die verdomde menselijke eigenschap van mij om aardig gevonden te willen worden. Zeggen dat je ADHD, autistisch of hoogsensitief (HSP) blijkt te zijn, kun je gerust doen. Daar zal niemand negatief op reageren en kun je alle begrip voor verwachten. Maar zeggen dat je hoogbegaafd bent, is hele andere koek. Dan gaan bij de meeste mensen al meteen de haren recht overeind staan en worden de hakken onmiddellijk in het zand gezet, want daar is iemand die even komt beweren dat hij slimmer is dan de meeste anderen en dus waarschijnlijk ook dan jij en daar houden mensen niet van. Terwijl het in feite vergelijkbaar is met stoornissen en “afwijkingen” als ADHD, autisme of hoogsensitiviteit, in die zin dat het in alle gevallen kan leiden tot problemen in je leven waar je steeds tegenaan loopt en waarvoor je graag een oorzaak zou willen vinden.
Maar nu met alle (zelf)kennis die ik in de afgelopen jaren heb opgedaan, durf ik het wel aan om het in elk geval één keer in mijn leven hardop uit te spreken. Ongeacht wat iedereen ervan vindt. Ongeacht of mensen mij nu minder aardig en arrogant(er) gaan vinden: ik ben hoogbegaafd.

Alsof ik een homo ben die op latere leeftijd zijn coming-out beleeft.

Tonko (http://tonkolumn.blogspot.nl/)

Foto: Tonko (van boek "Hoogbegaafd, nou en?" van Wendy Lammers van Toorenburg)

Procedures volgen of puzzelen

Tijdens een gesprek met een hoogbegaafde zag ik opeens een duidelijk verschil tussen hoogbegaafden en andere mensen. Het was een Aha-erlebnis die ik graag wil delen in een column.

Zoals we allemaal weten bestaat het grootste deel van de samenleving uit het uitvoeren van bepaald vaststaand gedrag. Bij de kassa gaat het op een bepaalde manier, met een klant heb je een andere procedure en met je baas weer een andere. Procedures geven vastigheid en zekerheid. Je weet wat je kunt verwachten in een bepaalde situatie, ook vice-versa en dat geeft rust. Tenminste voor de meeste mensen.

Heel globaal bekeken kun je constateren dat de meeste mensen eigenlijk procedures uitvoeren. Bepaalde stapjes wel/niet doen in bepaalde situaties. Het denkwerk zit er dan vooral in de keuze van, welke procedure moet ik nu volgen. En die keuze zorgt voor bepaald gedrag. Daarbij wordt in de uitvoering van die procedure ook wel afgetast of de door jou gehanteerde procedure nog verbeterd kan worden en dan kijk je naar de ander. Bv. naar de lengte van de stilte die weleens in een gesprek ontstaat. Is die stilte te lang, meer dan 3 seconden, dan is het tijd om na te denken of de door jou gevolgde procedure wel klopt en of de inhoud van je procedure correct door jou wordt uitgevoerd.

Ik heb geen procedures. Ik ken wel veel procedures maar nooit als 1 geheel. Ik ken wel de puzzelstukjes waarmee ik procedures in elkaar kan flansen voor een bepaalde gelegenheid of situatie. Ik kom daarmee vaak net weer even anders over want puzzelstukjes plaatsen kan op vele manieren. Een bijkomend voordeel is dat ik tijdens het puzzelen, tijdens gedrag, iets heb om over na te denken. Mijn hoofd is lekker bezig. Iets waar de meeste mensen toch liever even voor willen gaan zitten.

Als je zo kijkt naar het verschil tussen gewone mensen en hoogbegaafde mensen, vallen er wel veel puzzelstukjes in elkaar. Een hoogbegaafde komt al gauw onzeker over of onduidelijk, een hoogbegaafde weet niet hoe het hoort, etc.. En dat is logisch als je steeds opnieuw jouw gedrag bij elkaar puzzelt. Even een vrolijke noot er tussen? Geen probleem! Even dit ter berde brengen? Erg interessant! Procedure volgen? Saai! En dan moet je ook die procedures allemaal als 1 geheel onthouden? Een groot probleem want waar moet je dan over nadenken?

Bij hoogbegaafden kan ik 2 groepen zien. De ene groep hanteert de procedures, meestal wel tot op de komma maar toch en de andere groep puzzelt. Voor de eerste groep is de wereld helder en overzichtelijk, ze houden hun denkraam bezig met de details van de vele procedures en zijn daarom vaak detaillistisch en nauwkeurig tot ver achter de komma. Faalangst en perfectionisme wat nadelig uitpakt liggen bij die groep op de loer. De andere groep is niet te volgen, niet te vatten voor de meeste mensen. Ook niet voor de eerste groep. Zij puzzelen alles bij elkaar, het heelal is hun speelruimte. Succesangst, eigenlijk het niet meer vrij kunnen puzzelen, ligt op de loer. Maar ook het verliezen van de aandacht voor de alledaagse zaken als eten en rekening houden met andere mensen, zijn effecten van teveel puzzelen.

Zoals alles in het leven is een evenwicht vinden tussen procedures volgen en puzzelen, rekening houdend met jezelf, de beste optie. Het is niet erg om af en toe even een procedure te volgen en het is niet erg als je veel puzzelt. Het wordt erg als je als puzzelaar de procedurevolger niet de ruimte en respect geeft. Net zo erg als dat de procedurevolger, de puzzelaar niet respecteert en die de ruimte biedt om te zijn wie hij/zij is. Maar voor je iemand het voordeel van de twijfel geeft moet je weten wat het verschil is en waar dit vandaan komt. Met adequate kennis kun je samenleven.

Willem Wind.

Het gemak van een vloeiende definitie

Steeds vaker hoor en lees ik dat iemand vindt dat hoogbegaafdheid en een uitzonderlijke intelligentie niet samen hoeven te gaan. Voor mij is dat een bijzondere opmerking want begaafdheid is nauw verwant met intelligentie. Scoor je laag op een IQ-test dan ben je laagbegaafd, etc.. Ook Van Dale is deze mening toegedaan en ik vind dat we ons minstens moeten houden aan dit instituut bij het gebruik van woorden. Niettemin is hoogbegaafd een uitzondering op deze normale regel en dat doet me denken dat er mensen zijn die wellicht jaloers zijn op hoogbegaafden. Alsof dat een feest is of een verdienste. Mocht dit waar zijn dan zou ik toch verwachten dat er minimaal een half miljoen zelf benoemde hoogbegaafden in Nederland zouden zijn. Gelet op de 4000+ leden van Mensa klopt dat niet. Wat kan hierachter zitten?

Ik kan me veel situaties voorstellen waarin mensen deze rare draai aan het woord hoogbegaafd willen geven. Een vader die er op gewezen wordt dat zijn zoon hoogbegaafd is en die bij zichzelf ook de eigenschappen opmerkt die de zoon speciaal maakt. Die vader kan in een situatie verkeren waarin het vervelend of zelfs gevaarlijk voor zijn carrière is om hiervoor ook uit de kast te komen. Dan is het makkelijker om te zeggen dat iemand met een uitzonderlijk hoog IQ niet automatisch hoogbegaafd hoeft te zijn. En een hulpverlener die er niet uitkomt met een client met een uitzonderlijke intelligentie heeft ook wel baat bij dit mooi gevonden onderscheid. Het maakt het leven weer wat makkelijker. Hetzelfde geldt voor scholen waar men geen oplossing weet noch biedt aan mensen met een uitzonderlijke intelligentie. En wat te denken aan werksituaties waarbij er niets gedaan hoeft te worden als er even dit onderscheid gemaakt wordt. “Hoogbegaafd is niet iedereen met een uitzonderlijke intelligentie.” Zelfs wetenschappers als prof. Span dragen bij aan deze vreemde constructie. Waarom wil men dit zo graag??

Als ik kijk naar de diverse groepen die iets doen of zeggen te doen voor hoogbegaafden, dan wordt het voor mij wel duidelijk. Scholen hebben een bepaald aanbod of willen iets gaan aanbieden voor deze groep. En dat doen ze met verve en dan is het irritant als een uitzonderlijk intelligente leerling niet wil meewerken. Of misschien kan die niet meewerken. Dan is zo’n opmerking wel handig. Hetzelfde geldt voor hulpverleners als ze er niet uitkomen met een client. Die is dan niet hoogbegaafd alhoewel die wel een uitzonderlijke intelligentie heeft.

Mensen hebben van elk soort mens een stereotype in gedachten. Dat werkt makkelijk en zorgt voor een vloeiende communicatie en goede omgang. Toen ik voor het eerst bewust homo’s tegenkwam heb ik ook een stereotype daarvan gemaakt, zo zijn dus homo’s in het wild, zeg maar. Maar dan kom je een stoere vent tegen die ook zegt homo te zijn en die past niet in mijn plaatje. Ik zeg dan niet tegen hem dat die zich aanstelt of liegt, ik pas, met moeite, mijn stereotype over homo’s zodanig aan dat ook hij er in past. Hetzelfde als die keer dat ik een absoluut niet creatieve homo tegen kwam. En ik dacht nog dat het me best gelukt was om homo’s te kunnen plaatsen en die waren allemaal heel creatief…

Het rare is dat eigenlijk niemand twijfelt aan het homo-zijn van een ander. Men heeft meer moeite met het stereotype in het eigen hoofd dat weer eens moet worden aangepast. En die moeite reflecteert in het bevragen van die homo: ben je wel zeker van je zaak? Ofwel, is het zinvol om mijn stereotype aan te passen aan jou?

Bij hoogbegaafden ligt dat allemaal anders. Velen reageren alsof ze jaloers zijn en je moet bewijzen dat je “het” bent. En dan nog wordt er getwijfeld over bv. de IQ-test of dat Mensa wel erg graag leden wil hebben en daardoor de test wat makkelijker maakt. Of… En als men het accepteert dan moet je ook voldoen aan hun stereotype van een hoogbegaafde. En als je dat niet doet dan ben je niet meer dan uitzonderlijk intelligent of eigenlijk een beetje dom.

Een vloeiende definitie zorgt er voor dat mensen niet hun stereotype in hun eigen hoofd hoeven aan te passen. Hoogbegaafden zijn zo en zo en als je daar niet aan voldoet, dan ben je dus niet hoogbegaafd. Ook al scoor je op een IQ-test 140, dat maakt dan niet uit.

Net als de homo’s moeten we onszelf laten zien en trots  zijn op onze hoogbegaafdheid. Ik ben hoogbegaafd en als ik niet pas in jouw opvatting van wat een hoogbegaafde is en doet, dan moet jij je opvatting veranderen zodanig dat ook ik er in pas. En als je een totaal andere hoogbegaafde tegenkomt, dan dien je ook die weer te gebruiken om jouw opvatting wat een hoogbegaafde is en doet, bij te stellen. Want iemand met een uitzonderlijke intelligentie, een IQ van binnen de 2% hoogste scoorders, meestal vanaf 132, is hoogbegaafd. Net als dat iemand met een IQ van binnen de 2% laagste scoorders laagbegaafd is. Dat is de afspraak en daar moeten we ons met zijn allen aan houden.

En ik snap dat veel mensen dit niet willen. Er is veel emotie rond dit woord en dat is eigenlijk overbodig. Beter zijn we niet, we zijn wel anders. En daar kun je niet eens jaloers op zijn want je weet niet wat het is. Evenmin dat wij weten wat het is om normaal begaafd te zijn. Pas je stereotype aan als je weer eens een aparte hoogbegaafde tegenkomt en zo groei je naar een passend beeld van alle hoogbegaafden. Ik doe dat nog steeds, wel minder maar toch, ook jij moet dat werk verrichten omdat hoogbegaafden dat recht hebben. Net als homo’s zijn wij mensen met rechten. Recht op bruikbaar onderwijs, recht op bescherming, recht op passend werk, recht op respect, recht op vrijheid en een eerlijke behandeling. En we hebben recht op een eerlijk stereotype in ieders hoofd.

Onderzoek en onderzoek

Ik heb een ergernis en als freelance columnist is het dan mijn plicht om er aandacht aan te besteden. De titel zegt het al: wetenschappelijk onderzoek en dan vooral wetenschappelijk onderzoek naar hoogbegaafdheid.

Iedere wetenschapper weet, neem ik aan, dat de setting van het onderzoek het kader bepaalt van waaruit de reacties worden verlangd. En ik neem ook aan dat bekend is, dat de te onderzoeken onderwerpen onderhevig zijn aan het wereld- en mensbeeld van de opsteller van het onderzoek. En dat, in geval van een interview, de intonatie, de aanwezigheid van de interviewer en wie die is en de setting waar het interview wordt afgenomen, bepalend zijn voor de reacties. Uit diverse gesprekken met wetenschappers weet ik dat ik hier niet op mag vertrouwen. Helaas nemen de meeste onderzoekers deze bepalende factoren niet mee in hun conclusies. Ik neem daarom aan dat dit de oorsprong is van mijn ergernis.

Maar eerst wil ik duidelijk maken waar mijn ergernis vandaan komt. Ik ga er vanuit dat een lid van de onderzochte groep zich, soms na wat denken en inleven, kan vinden in de conclusies en aanbevelingen. De aanbevelingen worden soms verwoord maar zijn altijd, soms tussen de regels door, aanwezig. Als hoogbegaafde wil ik dan ook dat ik mij of een soortgenoot van mij, kan herkennen in de conclusies van een onderzoek. Soms is dat even slikken, soms is dat even nadenken en invoelen maar altijd moeten de conclusies een gevoel van herkenning oproepen. Bij veel onderzoek naar onderwijs gerelateerd onderzoek bij hoogbegaafde leerlingen heb ik dat niet. Ik merk veel vooroordelen op die via de opzet en vraagstelling terecht komen in de conclusies. Wat dan weer leidt tot een verkeerde aanpak wat dan weer leidt tot wegzetten van die groep omdat ze niet willen meewerken.

Zo heel af en toe kom ik een wetenschapper tegen die bij mij wel het gevoel oproept dat hij/zij weet waar het over gaat. Meestal zijn ze dan net bezig met een overstap naar iets anders, weggepromoveerd of blijkbaar niet in staat gesteld om goed onderzoek uit te voeren naar hoogbegaafde mensen. Het lijkt alsof deze kleine groep geen kansen krijgt.

APS heeft nu een vooroordelenspel uitgegeven en ik wil bij deze elke onderzoeker die bezig is met een onderzoek naar hoogbegaafdheid dringend willen verzoeken dit spel te spelen. Diverse keren zelfs! En het kan ook geen kwaad om persoonlijke contacten te hebben met de doelgroep, niet bang te zijn voor politiek incorrecte conclusies en het onderzoek in verschillende stadia voor te leggen aan ervaringsdeskundigen. Niet om het onderzoek naar eigen hand te zetten maar om interne fouten en onbedoelde neveneffecten er zoveel mogelijk uit te halen.

Wetenschappelijk onderzoek begint met een these en deze is afhankelijk van het voorstellingsvermogen van de onderzoeker. En ook van de bereidheid van de onderzoeker om verder te kijken dan zijn neus lang is. Daarnaast moet zeker met onderzoek naar hoogbegaafdheid de beperktheid worden meegenomen waarmee hoogbegaafden zijn opgegroeid qua onderwijs en maatschappelijke acceptatie. Hun talent of kunde, hun hoogbegaafdheid heeft nooit in vruchtbare aarde mogen gedijen en dat levert uiteraard frustratie en onevenwichtigheid op in het verdere leven. Deze opbouw start vaak met schoolgang en zet zich door in het volwassen leven.

Een goede oplossing is om wetenschappelijk onderzoek alleen uit te laten voeren als er een reflectiegroep is bestaande uit leden van de doelgroep zelf. Ik wil graag hieraan meewerken. En mocht u sceptisch zijn over deze aanpak dan wil ik u de film “hysteria” aanbevelen. Als u deze film vanuit deze column bekijkt en ziet wat een stilzwijgende aanname(s) voor effect heeft op het zien en accepteren van de ander zoals die werkelijk is, dan is er een wereld gewonnen! Voor de snelle lezer: vrouwen konden geen inzicht hebben in maatschappelijke systemen, hadden niets met sex zoals een man dat heeft en ze waren onbevoegd tot handelen. Ofwel, ze konden geen huis kopen, geen werkgever zijn, geen eigen zaak hebben, geen bankrekening alleen hebben, ze konden niet meedoen aan de politiek, of landsbestuur noch daarover hun stem uitbrengen, etc.. En dat vanwege een vrouwbeeld dat heersend was in die dagen. Ook een film als “Made in Dagenham” laat de effecten zien van een breed gedeelde aanname dat niet correspondeert met de werkelijkheid.

Willem Wind, januari 2014

Zelfcensuur

Van Dale kent geen zelfcensuur. Opmerkelijk als je je bedenkt dat iedereen niet altijd zegt wat die denkt en niet altijd doet wat die zou willen doen. De mens houdt zich met regelmaat in vanwege de consequenties. Dat kan zijn een boete voor te snel rijden maar ook, eventueel tijdelijke, uitsluiting door de groep. Zelfcensuur zorgt er voor dat we samen kunnen leven. Met bijvoorbeeld een wit leugentje of even afzien van commentaar.

Zelfcensuur is best wel ingewikkeld. Elke keer nadenken over de consequenties en in hoeverre iets wel of niet gezegd mag worden in deze of gene groep, dat kost teveel tijd. Je reactie loopt ver achter op de dynamiek van het gesprek of optreden. Het is daarom ook logisch dat we in ons hoofd een plek hebben waar dit allemaal razendsnel kan worden bepaald. Wat kan en wat niet kan. Psychologen noemen het proces van iets hierin plaatsen, internalisering. Bepaalde zaken zeg je gewoonweg niet tegen een ander. Soms kom je daar op een harde manier achter en als je dan je knopen telt, internaliseer je die situatie en reactie als not-done. Een prima manier om samen te kunnen leven zonder al teveel ruzie en met een gelijkgestemd gevoel dat het zo goed is.

Het probleem met zelfcensuur is dat het, zoals alles, zich ook tegen een groep kan keren. Zoals journalisten die het beter achten om iets over bepaalde zaken niet meer in het nieuws te brengen. Bijvoorbeeld om niet het doelwit te worden van een aanslag maar ook om te zorgen dat je als journalist een informant behoudt. Of dat je, of jouw nieuwsdienst welkom blijft bij de politiek of bedrijfsleven. Sociale uitsluiting is voor een journalist misschien het meest duidelijke signaal dat hij/zij iets gevonden heeft wat nieuwswaardig is, anderzijds is het vrijwel onmogelijk om nog langer te functioneren als journalist.

Zelfcensuur en internalisering bestaat ook in groepen mensen. Elke groep heeft dat en dat is goed voor de samenleving. Het geeft rust, zekerheid en men kan zich beter concentreren op de dagelijkse gang van zaken. Maar zoals bij een persoon kan een groep hier ook te ver in gaan. Zover zelfs dat de groep zichzelf op achterstand zet en blijft zetten. “Zo gaat dat nu eenmaal” is daarvoor een herkenbare redenering. Evenals “wat kun je er aan doen?”, wat ook duidt op teveel zelfcensuur. De groep heeft dan de mening van “de samenleving” geïnternaliseerd en tot haar eigen mening gemaakt. En ja, dan is het zo zoals het is. Het is niet anders.

Nu lijkt het alsof zelfcensuur gewoon gebeurt en dat je daar als mens of groep geen vat op hebt. Je moet mee en anders volgt uitsluiting of vervolging. En dat is in zekere zin ook zo. Want de sleutel tot verandering zit niet daar waar het gebeurd maar in de omgeving. Zelfcensuur verandert als er voldoende weerstand ontstaan is en als iemand van die groep, bekend als lid van die groep, succesvol wordt, mag zijn, in de samenleving. Dan verandert de zelfcensuur. Omdat de samenleving dit ook weet of aanvoelt is de eigenlijke vraag, willen we die groep wel zonder deze zelfcensuur accepteren? En die vraag is voor iedereen gelijk, of je nu behoort tot die groep of tot de omstanders.

In het kader daarvan verbaast het me dat er nooit onderzoek naar gedaan is waarom uitzonderlijk intelligente kinderen vaak alleen maar moeizaam, onderwijs kunnen ondergaan. Terwijl de logische gedachte is dat hoe intelligenter, hoe beter onderwijs aan zal slaan bij een kind. Ik denk dat bovenstaande, de negatieve aspecten van zelfcensuur binnen de groep, hier debet aan is. En zo ligt de bal daar waar die behoort. Bij de groep zelf en wil die een oplossing, dan ligt “de oplossing” bij diegenen van de groep die zeggen: “we kunnen wél wat doen” en “het kan anders”. Steun je die dan verander je mede de zelfcensuur binnen de groep.

Willem Wind

De parabel van de leerbal.

De schoolervaring van elke leerling kan gezien worden als het steeds vangen en gooien van een bal, staand buiten op een grasveld.

De leraren gooien de bal, een tennisbal in hun optiek en de ene leerling ervaart het ook als een tennisbal. Dit zijn de gewone, goede leerlingen.
Een andere leerling ervaart het als een basketbal. Het lukt vaak om die bal te vangen maar het is wat moeilijker.
De ‘slechtste’ leerling ervaart het als een medicijnbal. Een grote bal van minimaal 10 kilo. Met veel moeite, doorzettingsvermogen en wat geluk en ondersteuning kan een enkele leerling dat volhouden maar de meesten gaan naar een ander veld om daar hun tennisballen te ontvangen en te gooien.

Er zijn ook leerlingen die het ervaren als pingpongballen. Het lijkt alsof dat geen moeite hoeft te kosten. Het weegt nauwelijks iets en is makkelijk te hanteren. Maar probeer het maar eens op een grasveld, buiten… De wind blaast het af en toe weg, het stuitert in je handen en teruggooien is lastig, de leerkracht lijkt te ver weg, de wind blaast het opzij. Als je handig bent lukt het zo af en toe goed. Concentreren, precies goed doen en geen foute inschatting maken over allerlei irrelevante details. Dan lukt het meestal wel. Maar soms wil zo’n leerling gewoon een tennisbal krijgen of zelfs een medicijnbal. Je wordt moe van al dat gestuiter van die pingpongbal…

Soms bedenkt een leerkracht iets. Dan krijg je jouw gewone pingpongbal en 1 keer in de week een tennisbal. Die laatste is leuk als afwisseling maar je moet je elke keer weer aanpassen aan die andere bal..(plusklasje)
Een andere leerkracht stampt het pingpongballetje helemaal plat en klein en dan krijg je die.(compacten) Makkelijk want die stuitert niet meer zo erg. Maar het is ook wel erg weinig om mee te gooien. De leerling blijft iets missen. Hij/zij is gewoon te sterk om lol te hebben aan het gooien met een klein stukje plastic.
Een andere leerkracht heeft ook iets bedacht. Hij verzwaart de pingpongbal met bv een andere pingpongbal. Of hij plakt er veel tape omheen. Of hij doet er een staart aan. Leuk voor een eerste keer maar leren is toch een BAL ontvangen en teruggooien? Wat moet je met de rest? Even is het leuk. (verrijken)
Deze leerling kun je ook binnen plaatsen zodat de wind geen effect heeft op de pingpongbal. Je kunt hem ook een bat geven zodat het wat sneller gaat. En af en toe wat wimpels aan die pingpongbal toevoegen.(aparte klas, 6 jaar VWO)

Een enkele leerling doet alsof (of denkt dat) zijn pingpongbal een tennisbal is(soms zelfs als een medicijnbal). Na één keer blijven zitten in de eerste klas moet hij/zij met de kerst naar een andere school. Daar gooien ze in zijn/haar optiek met papierpropjes. Zijn/haar interesse in het leven nadert een dieptepunt.

Wat echt helpt is natuurlijk als leerkracht gooien met een tennisbal die bij die leerling dan ook aankomt als een tennisbal. Lekker buiten met alle andere kinderen die wellicht denken, zoals zij gooien met die medicijnbal, dat is niets voor mij maar…. zij hebben lol! (Aparte klas, zoveel jaar als nodig voor VWO, Boxschool, top-down)

Willem Wind, september 2008.